De school

Stel je voor dat je plotseling van school moet.

Vanwege je afkomst, je uiterlijk of je geloof.

 

Stel je voor dat je wordt weggestopt

in een verlaten, gebombardeerd schoolgebouw.

 

Stel je voor dat je niet meer bij je vrienden langs mag.

En zij ook niet meer bij jou.

 

Stel je voor dat niet meer met de tram mag.

Dat je niet meer mag fietsen.

 

Niet meer naar het park. Niet meer naar het zwembad.

Niet meer naar buiten.

 

Stel je voor dat je je land wordt uitgezet.

Samen met je ouders. Of – erger nog – alleen.

Ik ben een jong miertje. Voorheen genoot ik openbaar onderwijs op een mieren-H.B.S. Op zekere dag gebeurde het, dat een leger ‘rode’ mieren ons land van de ‘bruine’ mieren binnenviel. Het land werd bezet en al spoedig volgden maatregelen tegen een groep van de bevolking, de ‘zwarte’ mieren, waartoe ook ik behoor. Eén van deze maatregelen was, dat wij op een apart ‘Zwarte-Mieren-Lyceum’ ondergebracht zouden worden.

Ab van Dam, Mierenschool. Collectie Joods Museum Amsterdam, objectnummer D013135.

1941, 28 augustus

De brief

Het begon met een brief. De brief kwam in het tweede jaar van de oorlog. Het was in 1941. Aan het eind van de zomervakantie. Net voordat het nieuwe schooljaar zou beginnen. Een brief van de gemeente Rotterdam, ondertekend door de burgemeester.

 

Alle Joodse leerlingen in Nederland kregen zo’n brief. In de brief stond dat Joodse kinderen alleen nog maar naar Joodse scholen mochten. In Rotterdam waren geen Joodse scholen. Er was alleen een joodse godsdienstschool.

 

Waarom kwam de brief in de zomervakantie?
Hoe wisten ze welke mensen Joods waren?
Zaten Joodse kinderen op gewone scholen?
Op welke scholen zaten zij?

Waarom staat 'Joods' steeds met een hoofdletter?

De brief van de burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Bron: Loes Wijnbergen.

NA-DENK: Wat vind jij van deze brief?

Wat moet ik denken als ik het briefje lees van de burgemeester van Rotterdam, mr. P.J. Oud. Een briefje, gedateerd 28 augustus 1941, gericht ‘aan de ouders van Joodsche leerlingen der openbare onderwijsinrichtingen’. Een briefje, gestencild, waarin staat dat joodse kinderen niet meer naar de openbare school mochten waar zij jarenlang les hadden ontvangen. Joodse leerlingen werden met ingang van 1 september van school verwijderd. Over een nieuwe, joodse school zou nog bericht komen.

 

Burgemeester Oud en secretaris Smeding schreven er niet bij dat ze het vervelend vonden. Ze schreven er ook niet bij dat ze het verschrikkelijk vonden en dat het in strijd was met de wet en met de zeden en met de vrijheid en met de menselijkheid. Ze schreven alleen maar dat de joodse kinderen van school moesten. En ze bleven als burgemeester en secretaris Rotterdam besturen.

Dick Houwaart, Verduisterde bevrijding (1982), p.30. 

1941, september

Joodse leerlingen krijgen privélessen

Ouders vinden onderwijs belangrijk. Ze willen dat je naar een goede school gaat. Wat zouden jouw ouders doen als je niet meer naar school zou mogen? Zouden ze je zelf gaan lesgeven? Zouden ze een privédocent regelen? Of zouden ze je verwijzen naar YouTube?

 

In september 1941 regelden veel Joodse ouders privélessen voor hun kinderen. Een van die kinderen was Carry Ulreich. Carry was aan het begin van de oorlog 13 jaar. Ze woonde in Rotterdam. In haar dagboek schreef zij dat ze samen met andere Joodse leerlingen privéles kreeg:

Toen er nog geen school was met september hadden we een paar cursussen van Dr. Stein en Mr. Spanjar.

Carry Ulreich, ‘s Nachts droom ik van vrede; Oorlogsdagboek 1941-1945 (p.33), 15 maart 1942.

Een andere leerling die privéles kreeg, was Esther van Vriesland. Esther woonde in Gorinchem. Aan het begin van de oorlog was zij 13 jaar. Esther schreef in haar dagboek dat ze tijdelijk lessen volgde in Dordrecht (citaat).

 

De privélessen werden gegeven door Joodse docenten. De Joodse docenten waren al in november 1940 ontslagen omdat zij niet 'arisch' waren. Zij hadden dus geen werk meer.

 

Soms was het een oud-leerling die privélessen gaf. In Rotterdam gaf Dolf Cohen, oud-leerling van het Erasmiaans Gymnasium, een paar weken les aan de eindexamenleerlingen van zijn oude school (citaat). Dolf was zelf ook Joods. Andere leerlingen van het Erasmiaans Gymnasium kregen hulp van hun niet-Joodse klasgenoten. Dat gold bijvoorbeeld voor Frits Frenkel (citaat) en Claar Slager:

Diverse malen bezocht ik haar [Claar Slager] in Hillegersberg en later op verschillende onderduikadressen; aanvankelijk om huiswerk(taken) te brengen, tenslotte voor de gezelligheid. Dit ging door tot… maart 1943. The rest is silence...

Lot van der Pot, oud-leerling Erasmiaans Gymnasium.

[Brief van Charlotte van der Pot aan Anne Schram Ouweneel, 2003.] 

1941, 23 oktober

Het Joods Lyceum begint

De Duitsers vroegen aan de gemeente Rotterdam om Joodse scholen op te richten. Dat moest gebeuren binnen vier weken na het begin van het schooljaar. Dus vóór 1 oktober 1941. De Joodse scholen moesten in aparte schoolgebouwen komen. Joodse leerlingen mochten niet onder hetzelfde dak zitten als niet-Joodse leerlingen.

 

In Rotterdam waren veel schoolgebouwen verwoest bij het bombardement, of bij de grote brand die daarop volgde. Het was dus moeilijk om binnen vier weken nieuwe scholen op te richten. Het duurde langer. Toch lukte het. In Rotterdam kwamen uiteindelijk zeven Joodse scholen. Drie Joodse basisscholen, een Joodse huishoudschool voor meisjes, een Joodse technische school voor jongens, een Joodse mulo en het Joods Lyceum. De officiële naam van het lyceum was: Gemeentelijk Lyceum voor Joodsche leerlingen.

 

Het Joods Lyceum kwam in een oud schoolgebouw in de wijk Kralingen. Bijna de hele omgeving van het gebouw was verwoest tijdens het bombardement. Het schoolgebouw stond als een van de weinige gebouwen nog overeind. Een oud-leerling schreef: “Het gebouw lag middenin de kale, platgebombardeerde vlakte van Rotterdam”.

Het was een gebombardeerde school in Kralingen waar we zaten, waar alleen nog, laten we zeggen, de parterre overgebleven was.

Oud-leerling Lieneke van Praag (bron).

 

Het was een oud, mistroostig schoolgebouw dat was blijven staan in een in mei 1940 deels weggebombardeerde wijk.

Oud-leerling Arthur Trijbits (bron).

 

We kwamen samen in een schuur, een soort overblijfsel van een gebouw dat de bombardementen had overleefd, waar verder niets omheen stond.

Oud-leerling Ernst Presseisen (bron).

In de week van 16 oktober 1941 konden leerlingen zich op school komen aanmelden. De eerste schooldag was op 23 oktober 1941.

Op een naargeestige  morgen [ontving ik] een biljet, dat mij gebood mij aan te melden voor een nieuwe school aan de Torrendwarsstraat. Dus begaf ik mij op de aangewezen dag naar de mij nog onbekende school.

 

Ik werd ontvangen door een bruine mier en in een gang gelaten, waar talloze ‘zwarte’ mieren en miertjes druk gebarend dooreenkrioelden. Ik voelde mij wat sceptisch gestemd (waartoe ook de inrichting en de ligging van de school bijdroegen) maar sloot mij weldra aan bij een groepje jongelui van mijn eigen leeftijd. Na enige tijd werd ik in een kamertje gelaten, waar een leraarmier zat, die zich voorstelde als de heer Rusjar.

 

Toen enkele formaliteiten vervuld waren, werd mij medegedeeld, dat Donderdag daaropvolgende de school om 2.30 precies geopend zou worden. Na twee maanden niets doen begon dan eindelijk weer ‘school’.

Ab van Dam, Mierenschool.

Collectie Joods Museum Amsterdam, objectnummer D013135.

1941, oktober – 1942, juli

De tocht naar school

Sommige leerlingen van het Joods Lyceum fietsten naar school, zoals Loekie en Jenny van Dantzig en Wiet Wijler (citaat). Anderen namen de tram. Op de fiets “is alles vlugger,” schreef Carry Ulreich in haar dagboek. “Maar in de tram is het gezelliger, daar zitten allerlei leuke lui uit school.”

 

In het begon mochten de leerlingen van het Joods Lyceum dus nog met de tram of de fiets naar school. Maar sommige grote straten waren voor Joden verboden:

Jopi en Dodi moesten na de zomervakantie naar het Joods Lyceum, dat zich aan de andere kant van de stad (…) bevond. Op hun dagelijkse tocht naar school moesten ze de Kralingse Plaslaan, vlakbij school, zien te vermijden want de belangrijkste verbindingswegen en winkelstraten van Rotterdam waaronder de Coolsingel, de Goudse Singel, de Binnenweg en de West-Kruiskade waren verboden terrein voor Joden.

Heimans, S.R., De taal, het kind, de liefde. Josepha Mendels (1902-1995) (Nijmegen 2014), 77.

Voor de leerlingen die van buiten Rotterdam kwamen, was de tocht naar school moeilijker. Esther van Vriesland schreef in haar dagboek vaak over de treinreis vanuit Gorinchem, met een overstap in Dordrecht. De trein was soms meer dan een uur te laat. Wel was het gezellig in de trein. Esther reisde vaak samen met Joodse en niet-Joodse vrienden en vriendinnen. 

 

Ook de leerlingen uit Gouda en omgeving reisden met de trein naar Rotterdam. Leerlingen en docenten die met de trein naar school kwamen, kregen een permanente reisvergunning die steeds moest worden vernieuwd.

 

Maar vanaf eind juni 1942 mochten Joden niet meer met de tram. Ook moesten zij hun fietsen inleveren. Daardoor werd het steeds moelijker om op school te komen. Lieneke van Praag moest lopen vanuit Schiedam. "Dat was niet vol te houden, dat was voor mij twee uur lopen. (…) En twee uur terug, dus er bleef ook geen tijd over om huiswerk te maken" (bron). Hans Cats kwam vanuit Hillegersberg met de autoped, terwijl hij toch al dertien was. En Arthur Trijbits moest lopen vanaf de Beukelsdijk:

Wij woonden aan de Beukelsdijk, in West, fietsen waren gevorderd en trams en bussen waren "verboden voor Joden". De loopafstand bedroeg meer dan een uur, en de route liep deels door het troosteloze, platgebombardeerde en gepuinruimde stadscentrum.

Oud-leerling Arthur Trijbits (bron)

 

Onze schoolgaande kinderen kregen een school voor Joden aangewezen, een gebouw helemaal in het oosten der stad, in Kralingen. Tram en fietsen waren verboden. We zagen de kinderen, met hun Jodenster op, ’s morgens in enkele groepjes met hun tassen wegtrekken, dwars door de verwoeste stad, naar hun schoolgebouw, en ’s middags terugkeren. Wat hebben we voor hen gevreesd, als we van razzia's op joden hoorden.

Louis Wijler, vader van oud-leerlingen Leen Wijler en Jo Wijler (bron)

1942, 3 mei

De 'Jodenster'

Joden mochten steeds minder. Het begon al een paar maanden na de Duitse inval. In het begin nam de Duitse bezetter vooral maatregelen tegen Joodse ambtenaren en Joodse ondernemers.

 

In 1941 veranderde dat. Er kwamen steeds meeer maatregelen tegen Joden. De maatregelen kwamen snel achter elkaar. Dit zijn een paar van die maatregelen:

  • Registratie van Joden: Op 10 januari 1941 moesten alle Joden zich laten registreren. Het maakte daarbij niet uit of zij gelovig waren of niet, of zij naar de synagoge gingen of niet, of zij zich Joods voelden of niet. Hun naam kwam op een lijst.
  • Uit eten gaan en avondje uit verboden voor Joden: Vanaf 1 april 1941 mochten Joden niet meer in cafés, hotels, restaurants, theaters, dans- en concertzalen komen.
  • Radio's verboden voor Joden: Op 15 april 1941 moesten Joden hun radio inleveren. Siem Kleinkramer ging naar zijn buren om daar naar de radio te luisteren.
  • Leuke plekken verboden voor Joden: Op 4 juni 1941 mochten Joden niet meer naar parken, dierentuinen, zwembaden, sportvelden, musea, bibliotheken en boekwinkels.
  • Joden krijgen een stempel in hun ID: In juli 1941 kregen Joden een ‘J’ in hun persoonsbewijs gestempeld.
  • Sporten verboden voor Joden: Op 15 september 1941 mochten Joden niet meer sporten in het openbaar.
  • Gemengde verenigingen verboden voor Joden: Op 23 oktober mochten Joden geen lid meer zijn van ‘gemengde’ verenigingen, dus verenigingen waar ook niet-Joden lid van konden zijn.
  • Joden moeten een gele ster dragen: Vanaf 3 mei 1942 moest de leerlingen van het Joods Lyceum een gele davidster op hun kleding dragen. 

We moeten sterren dragen. ‘n Gele ster, zwart omlijnd, waarin met zwarte letters staat ‘Jood’ (met imitatie-Hebreeuwse letters). Mama zoekt al met gele en zwarte stof. Op de linkerkant ter borsthoogte. (...) Ieder vindt het verschrikkelijk. (...) Maar de volgende dag, op de Jodenschool, komt men meer te weten. Men kan ‘de Jodensterren’ kopen, 4 op één punt 4 cent per stuk. ’s Middags heeft iemand er één. Hij wordt direct bestormd. Iedereen wil hem zien. Grappen worden gemaakt. Ik voor mij vind de ster niets erg. Wat geeft het.

Carry Ulreich, ‘s Nachts droom ik van vrede; Oorlogsdagboek 1941-1945 (p.44), 12 mei 1942.

 

Davidster - van Wikipedia
Op zondag 3 mei 1942 zou Carry een fietstocht maken met Joodse jongeren. Zij zouden op de fiets naar de bollenstreek gaan. Maar de fietstocht ging niet door, want het was de eerste dag dat Joden de gele ster moesten dragen (citaat).

1942, 30 juli

De eerste massadeportatie uit Rotterdam

Op dinsdag 14 juli vond op het Joods Lyceum de promotie plaats: een feestelijke afsluiting van het schooljaar (bron). Tijdens de promotie hoorden de leerlingen welke eindcijfers zij hadden gehaald en of ze waren overgegaan naar de volgende klas. Sommige leerlingen bleven zitten. Maar de school hield rekening met de situatie van de kinderen. Esther van Vriesland ging over met drie vijven en een vier. Misschien had de schoolleiding er rekening mee gehouden dat zij van ver kwam (Gorinchem), en dus weinig tijd over hield voor huiswerk. 

 

Minder dan twee weken later, op 29 juli 1942, vielen er bij Joodse families in Rotterdam brieven op de deurmat. Oproeping!, stond erboven. De mensen voor wie de brieven waren, werden opgeroepen voor “werkverruiming in Duitschland”:

U moet zich voor eventueele deelname aan een, onder politietoezichtstaande, werkverruiming in Duitschland voor persoonsonderzoek en geneeskundige keuring naar doorgangskamp Westerbork, station Hooghalen, begeven. Daartoe moet u op 30 juli 1942 om 18 uur op de verzamelplaats Rotterdam Entrepotstraat, Loods 24 aanwezig zijn.

Overgenomen van Joods Erfgoed Rotterdam.

Ook een paar leerlingen van het Joods Lyceum kregen de oproep. Onder hen waren Max Hachgenberg, Clara Haagman, Claar Slager, Joop Slagter en Frits Levison. Frits had een vrijstelling gekregen (bron), maar moest toch op transport (bron). Zijn ouders bleven achter. Frits was hun enige kind.

 

Het transport – de eerste massadeportatie van Joden vanuit Rotterdam – zou al de volgende dag zijn. Bij de oproep zat een paklijst met spullen die mensen moesten meenemen. Mensen hadden maar één dag om alles wat op de paklijst stond te verzamelen. Eigenlijk maar één middag, want sinds eind juni 1942 mochten Joden alleen ’s middags een paar uur boodschappen doen. Het hielp ook niet dat ze niet meer met het openbaar vervoer mochten en dat ze hun fietsen hadden moeten inleveren.

 

Op 30 juli 1942 moesten de opgeroepen Joden zich ’s avonds om 18.00 uur melden in Loods 24, een havenloods op Rotterdam-Zuid.

Carry Ulreich was op de avond van 30 juli 1942 aanwezig in Loods 24. In haar dagboek beschreef zij wat zich daar had afgespeeld. Een paar stukjes uit haar dagboek:

’s Middags ging ik naar de Loods Stieltjesplein (waar we ook de fietsen moesten afleveren). Er stonden allemaal schoolbanken. Die heb ik met Hetty Corper afgestoft. (…)

 

De eerste mensen kwamen al om half 5. (…) Plotseling zag ik ook Max Hachenberg met… een lachend gezicht. (…) Volgens hem zetten we de vriendschap nog door. Ik heb er een hard hoofd in. Ik geloof niet dat er velen van terug zullen komen, dan zal Duitsland nog op het laatst revanche op de arme Joden nemen. Zo was het altijd, zo zal het altijd blijven voor het Uitverkoren Volk. (…)

 

Eensklaps valt mij Clara Haagman in het gezicht. Ik (…) hol naar haar toe. Zij vertelde dat de oproep pas om 1 uur ’s middags bij haar was, omdat zij eerst naar een verkeerd adres geweest was. Zij moest dus in 5 uurtjes alles nog doen. Voor de kleren zorgen, alles merken, naar de Joodse Raad om inlichtingen, (…), haar laten afknippen (voor ongedierte), enz. enz. En de zenuwen die erbij komen. (…) Zij was ook reuze flink.

 

Clara Slager, een schat van een meisje uit de 4e klas gym (…) was tamelijk koud, onverschillig, maar in haar hart huilde ze, geloof ik, was er ook. Haar vader, veearts, hebben ze laatst als gijzelaar opgepikt en nu is haar moeder helemaal alleen. Dus vreselijk zielig.

 

Ook Joop Slagter was er. Hij vroeg of ik, als ik nog eens naar de tuinbouwcursus ga, zijn klompen mee wil brengen, want ze zijn daar moederziel alleen achtergebleven. Ook deze, meeste van school, waren uiterlijk flink. Innerlijk? Weten zij alleen maar zelf! (…)

 

Ik ga naar Clara Haagman, druk haar ontroerd voor het laatst de hand. Dan wil ik Clara Slager nog iets goeds wensen, maar mijn zelfbeheersing breekt, ik barst in snikken uit. In plaats voor de anderen nog een steun te zijn… Max Hachgenberg slaat een arm om mij heen en kalmeert mij zo. Nooit zal ik dit ook vergeten.

Carry Ulreich, ‘s Nachts droom ik van vrede; Oorlogsdagboek 1941-1945 (p.54-57), 31 juli 1942.

Diezelfde avond werden de mensen op transport gezet naar doorvoerkamp Westerbork in Drenthe. Daar kwamen zij op 31 juli aan. Een paar dagen later, op maandag 3 augustus 1942, werden de meesten van hen gedeporteerd naar vernietigingskamp Auschwitz.

 

Max Hachgenberg, Joop Slagter en Frits Levison waren bij de eerste leerlingen van het Joods Lyceum die werden vermoord. Max was net een paar weken geslaagd voor zijn eindexamen hbs-B.

 

Clara Haagman overleefde de oorlog. Zij zat drie jaar gevangen in Westerbork.

 

Claar Slager kwam vrij en keerde terug naar Rotterdam. Claar werd later gearresteerd op haar onderduikadres in Kamperveen. Zij wist anderhalf jaar te overleven in Auschwitz, maar werd in januari 1945 doodgeschoten tijdens de dodenmars vanuit Auschwitz.

1942, september – 1943, mei

Steeds minder leerlingen

Op 7 juli 1942, nog voor de eerste massadeportatie vanuit Rotterdam, besloot de nieuwe burgemeester van Rotterdam dat het Joods Lyceum moest verhuizen. Op 11 juli lichtte de wethouder de rector van het Joods Lyceum in (bron). Het Joods Lyceum verhuisde naar een schoolgebouw aan de Jeruzalemstraat 7. 

De Jeruzalemstraat gezien vanuit het zuiden, van de 1e Jerichostraat in de richting van de IJsclubdwarsstraat (1983, 30 september). Links het schoolgebouw waarin in het najaar van 1942 het Joods Lyceum zat. Later kwam er een detailhandelschool in. Oud-leerlingen herinneren zich de hoge plafonds, ramen aan de gangkant en het scheikundelokaal waarin de houten bankjes trapsgewijs opliepen. Het gebouw was gebouwd in 1894 en is gesloopt in 1989.
Foto: Stadsarchief Rotterdam, toegang 4100, nummer 1983-2764. Met dank aan Ron Buitelaar en Oscar Fernald.

Het nieuwe schooljaar begon op 1 september 1942 in de Jeruzalemstraat. Het Joods Lyceum, dat in oktober 1941 was begonnen met 145 leerlingen, had nog maar 77 leerlingen (bron). Sommige leerlingen waren al gedeporteerd. Anderen waren ondergedoken of gevlucht naar België of Zwitserland. En de leerlingen van buiten Rotterdam konden niet meer naar school komen, of ze nu wilden of niet. Ze mochten niet meer met het openbaar vervoer en hadden ook geen fietsen meer.

 

Voor de zomer zat Carry Ulreich nog in de klas met 27 leerlingen: 5 meisjes en 22 jongens (bron). Op 7 september zat Carry nog maar met drie leerlingen in de klas:

Vorige maandag ben ik weer naar school gegaan, was reuze gezellig, want we zaten met zijn drieën in de klas. (…) Toen ik op school kwam, was elke docent erg blij mij te zien: weer een leerling erbij! Maar mama wil niet meer dat ik naar school ga. (…) Dus heb ik woensdagmiddag Drs. S. Wijnberg (rector) vaarwel gezegd. Maar hij liet me niet gaan, ik moet in ieder geval tot maandag blijven. Ik moest ook een beetje om de docenten denken (zei hij met andere woorden, want die hebben vrijstelling, en als er geen leerlingen zijn, moeten zij ook naar Polen).

Carry Ulreich, ‘s Nachts droom ik van vrede; Oorlogsdagboek 1941-1945 (p.61-62), 14 september 1942.

Een maand later, op 22 oktober 1942, had het Joods Lyceum nog maar 39 leerlingen (bron). De sfeer was volledig omgeslagen. Soms werden leerlingen zelfs uit de klas gehaald om gedeporteerd te worden. “Ze werden bij mij weggehaald! Uit de school!” zei rector Simon Wijnberg in een interview (bron).

 

Oud-leerling Hans Cats vertelde dat de leerlingen altijd bang waren. Als de deurbel van de school ging, schrokken de leerlingen en krompen ze in elkaar. Ze luisterden naar de voetstappen op de gang. Als de stappen stopten voor hun lokaal, wachtten ze met ingehouden adem. De klop op de deur klonk in hun oren als een donderslag. “Een donderslag, die iedereen verwachtte,” vertelde Hans’ weduwe later. Hans droomde er jaren later nog van. 

 

Ook oud-docent Jaap van Praag herinnerde zich het ophalen van een leerling uit de klas:

De kinderen waren dikwijls erg bedrukt. (…) Er is er ook wel eens eentje bij mij uit de klas weggehaald, midden in de les. Dat is een heel moeilijk verwerkbare ervaring. Je kunt er niks aan doen en dan komt er zo’n SS'er Nederlanders waren dat altijd hoor – die komt dan je klas binnen en zegt: ‘Ik kom die-en-die halen’. Dan laat je hem maar gaan. Wat zou je anders doen? (…) Het was een klein jongetje, een jaar of dertien, veertien. Het was in de tweede klas, denk ik, waar zich dat afspeelde. (…)

Jaap van Praag. Uit: Derkx, P. & B. Gasenbeek, J.P. van Praag; Vader van het moderne Nederlandse humanisme (Utrecht 1997), p. 48-49.

In september 1942 kreeg de rector van het Joods Lyceum, Simon Wijnberg, tijdens de schooldag bericht. De ouders van Daniël Weijl en zijn pleegbroertje Bubi Körner waren opgepakt door de Duitsers. De rector wist dat de Duitsers daarna Daniël en Bubi konden komen ophalen op school, om hen naar een concentratiekamp te sturen. Snel zocht hij een onderduikadres voor de jongens: bij het gezin van Elie Lopes Cardozo, docent oude talen aan het Erasmiaans Gymnasium. Toch zijn Daniël en Bubi op een gegeven moment opgepakt

 

Inmiddels stonden de Joodse scholen niet meer onder toezicht van de gemeente. Het toezicht was overgedragen aan de Joodsche Raad. De Joodsche Raad kreeg per leerling een bedrag van tachtig gulden, maar dat was niet genoeg om het Joodse onderwijs te betalen. De Joodsche Raad moest dus bezuinigen. 

 

Daarom moest het Joods Lyceum opnieuw verhuizen. Alle Joodse scholen in Rotterdam kwamen in het schoolgebouw aan de Molenwaterweg 24. In dat gebouw zaten toen al de Joodse mulo en twee Joodse lagere scholen. Deze drie scholen hadden samen nog maar vijf leerlingen. De meeste kinderen waren gedeporteerd.

 

De huur van het schoolgebouw aan de Jeruzalemstraat 7 werd half november 1942 opgezegd (bron). 

De Molenwaterweg in mei 1940, gezien vanuit het westen. Veel gebouwen waren verwoest of beschadigd door het grote bombardement van 14 mei 1940. In het donkere gebouw rechts kwam op 1 maart 1942 de Joodse mulo. In hetzelfde gebouw zaten twee Joodse lagere scholen. In november 1942 kwam ook het Joods Lyceum erbij.
Foto: Stadsarchief Rotterdam, toegang 4100, nummer 1998-979.

1943, mei

Het Joods Lyceum wordt opgeheven

Op 1 maart 1943 zaten op het Joods Lyceum nog maar 15 leerlingen (bron). Eind maart 1943 waren dat nog maar 12 leerlingen (bron).

 

Dagboekschrijfster Esther van Vriesland was toen al vermoord in Auschwitz. Ab van Dam, de schrijver van Mierenschool, was vermoord in Sobibor. De vier meisjes die in juli 1942 hun eindexamen hbs-A hadden gehaald, waren alle vier eind oktober 1942 al dood. We noemen hun namen: Froukje Bilderbeek, Jeanne Goudsmid, Gretha van Thijn en Marie van der Veen.

 

De jongens Jaap van Creveld, Joop Parser, Max Nathans, Simon van Buren, Siem Kleinkramer en Simon van Vriesland waren vlak voor Auschwitz uit de trein gehaald. Zij leefden onder verschrikkelijke omstandigheden in een dwangarbeiderskamp – áls zij nog leefden.

 

Een paar leerlingen hadden op tijd kunnen vluchten naar België, Frankrijk, Zwitserland of Zuid-Amerika. Sommigen van hen kwamen daar veilig aan. Anderen werden op de vlucht gepakt, zoals Bernard Maarsen, Jaap van Creveld en Jenny van Dantzig. Ook in België was het niet veilig: Mundi Kindler en Theo Neuberger doken onder in België en werden daar alsnog gepakt.

 

In maart 1943 zaten sommige leerlingen van het Joods Lyceum nog gevangen in Westerbork. Anderen waren ondergedoken, vaak zonder hun ouders. Veel van hen werden later toch nog opgepakt en gedeporteerd. Een paar leerlingen woonden nog in Rotterdam. Zij werden pas gedeporteerd in april en mei 1943.

 

Op 31 maart 1943 mocht rector Simon Wijnberg in Barneveld gaan wonen. Israel Spanjar werd de nieuwe rector. Tot ook hij eind april op transport moest. Toen werd Jaap van Praag rector. 

 

In mei 1943 werd de school opgeheven (bron).

Reactie?

* Deze velden zijn verplicht

Reacties

Er zijn nog geen reacties.