Ab van Dam

Ab van Dam

1924 - 1943

Abraham van Dam

Rotterdam, 29 oktober 1924 – Sobibor, 5 maart 1943

Ab woonde aan de Groene Hilledijk op Rotterdam-Zuid. Zijn ouders hadden daar een winkel. Zelf wilde Ab schrijver worden. Op het Joods Lyceum schreef hij het verhaal ‘Mierenschool’, over de eerste schooldag op een ‘Zwarte-Mieren-Lyceum’. Een school voor ‘zwarte’ mieren. Ab werd 18 jaar.

vóór 1940

Ab voor de oorlog

Ab van Dam - 1926 11 19 - Opening filiaal - Nieuwe Rotterdamsche Courant
Nieuwe Rotterdamsche Courant, 19 november 1926.

Ab van Dam werd geboren in 1924. Aan het begin van de oorlog was hij vijftien jaar.

 

Ab woonde samen met zijn ouders en zijn oudere broer op Rotterdam-Zuid, aan de Groene Hilledijk 183. Zijn ouders hadden daar een winkel in parfumerieën. Het was een soort drogisterij: ze verkochten zeep, kammetjes, scheermesjes, lippenstift en lekkere luchtjes. De naam van de winkel was Apollo. Vader Maurits deed de inkoop. Moeder Rika deed de administratie. Abs broer Simon hielp ook mee.

Moeder Rika en vader Maurits achter de toonbank van Parfumerie Apollo, rond 1930.
Foto: Collectie Joods Museum Amsterdam, objectnummer F009689.

Het gezin Van Dam woonde achter de winkel. Er was een tussenkamer, een huiskamer, een kelder en een keukentje (bron). Dat was alles. Vader en moeder sliepen in de tussenkamer op een opklapbed. Ab en Simon sliepen in de slaapkamer in de kelder. In die slaapkamer stonden drie bedden: één voor Ab, één voor Simon en een bed voor gasten. In de kelder was ook een badkamer met een echt bad. Dat was bijzonder in die tijd.

 

Ab van Dam - Familie Van Dam ca. 1930 - JCK F009686 - uitsnede verkleind
Familie Van Dam rond. Foto: Collectie Joods Museum Amsterdam, objectnummer F009686.
Ze waren met zijn vieren.
Vader Maurits, moeder Rika, broer Simon en dan Ab.
Hier zie je ze.

 

Deze foto komt uit 1930. 

Ab is hier zo’n zes jaar oud. Simon is hier ongeveer tien.

 

Ab werd thuis ‘Beer’ genoemd. En ook wel ‘Beertje’

 

Simon heette thuis ‘Sjim’. En ook wel ‘Sjimme’.

 

Nu komt er een spoiler alert. Maurits, Rika, Simon en Ab zijn vermoord. Net als hun meeste ooms, tantes, nichten en neven. Eén neef overleefde de oorlog. Dat is Dick Houwaart. Dick Houwaart durfde pas 31 jaar later terug te komen naar het huis aan de Groene Hilledijk. Hij schreef er een boek over: Verduisterde bevrijding.

Eenendertig jaar nadat de Sicherheitsdienst ze had weggehaald, ben ik er teruggekomen.
Groene Hilledijk 183b, Rotterdam. 
Het was een kleine winkel gebleven. Apollo, een parfumeriezaak. 
In de verte had ik het uithangbord gezien: Apollo. Wat verschoten letters. Vroeger stond er: parfumerieën. Dat las wat netter. 
Ik wilde er heen, maar ik aarzelde. Ik durfde niet echt. Wat zou ik na eenendertig jaar nog kunnen terugvinden?
Dezelfde winkel?

Hetzelfde huis?
Het was toch nauwelijks mogelijk dat te denken. Ik had het gevoel alsof ik in de hitte van de dag liep te dromen. Waar moest ik mij zorgen over maken? Honderden, duizenden keren was ik de Groene Hilledijk afgestapt en was de winkel binnen gegaan. Waarom nu niet? 
Ze zouden er zijn.

Dick Houwaart, Verduisterde bevrijding (1982), p.5.

Parfumerie Apollo aan de Groene Hilledijk met Abs ouders, Maurits en Rika van Dam. De foto is vermoedelijk gemaakt in 1929.
Foto: Collectie Joods Museum Amsterdam, objectnummer F009690.

Waarom is de foto mogelijk gemaakt rond 1929?

Straks zou ik ze zien.
In de winkel Maurits van Dam, gladgeschoren, zoals dat hoorde. Achter, of in die vreemde, wat opwindende tussenkamer, met het trapje naar boven, Rika van Dam. Beneden, in die geheimzinnig aantrekkelijke kelder, Simon van Dam, lezend of spelend.

 

Misschien zou de tafel weer gedekt zijn. Op sjabbesavond was er kippensoep. Twee brandende kaarsen.
Baroech atta Adonai elohenoe melech ha-olam ha-motzi lechem min ha-arets.
Maurits van Dam hield de hand op het hoofd. Ach, keppeltjes waren niet altijd bij de hand.

 

Het scheen mij alsof de tijd verdampte. De jaren waren één grote leugen geworden. Een voorbijgaande droom. 
Het was gisteren.

 

Natuurlijk, gisteren speelde ik achter die toonbank en rende van de voordeur, die altijd open stond, naar dat tussenkamertje. Daar zat Rika van Dam dan te cijferen. (…) Een enkele keer brandde de schemerlamp in die tussenkamer. Van die lampen, die je nooit vergeet. Een houten voetstuk, een gebogen koperen slang en een geel-groenachtige glazen kap.
Als er geen klanten in de winkel waren, zat Maurits in een brede stoel met een ronde armleuning. Een stoel waarin alleen iemand kon zitten, die iemand was. Achter hem was het opklapbed. Daar sliepen ze in. Lief en leed hebben Rika en Maurits daar gedeeld.

 

En dan kwam het trapje naar boven. Naar de huiskamer. Rechts achter het keukentje, met de trap weer naar de tuin, beneden, die aansluiting gaf op de kelder. En gangetje en een paar kasten. Meer was er niet.
Binnen de muren van die behuizing leefde Maurits en Rika en Simon en Ab van Dam.
En vele dagen per jaar was ik er bij.

Dick Houwaart, Verduisterde bevrijding (1982), p.5-7. 

1940, mei

Ab aan het begin van de oorlog

In februari 1940 moest Abs broer Simon in dienst vanwege de mobilisatie. In die tijd schreef Ab soms briefjes aan zijn broer. Hij begon met ‘Ouwe Sjim’ en sloot af met ‘Beertje’. Ab schreef Simon dat de voetballer Wilhelms gekozen was voor Antwerpen en dat zijn schoolgenoot Wijnsema, die in het 3e elftal van Overmaas speelde, gepasseerd was “omdat ie net als ik te klein was.” Toch schreef Abs moeder rond Pesach 1940: “Die jongen zie je gewoon met de dag groeien”.

 

Toen de oorlog op 10 mei 1940 begon, werd het spannend voor het gezin. Zou Simon niet gewond raken bij de gevechten? Ook Simon maakte zich zorgen. Op 14 mei 1940 werd Rotterdam gebombardeerd. Een dag later was de capitulatie. Simon moest nog een tijdje in dienst blijven. Ab schreef aan Simon: “Kom maar gauw terug, dan zal ik [je bed] weer voorverwarmen. Nou hou je taai hoor, Bay Beertje.”

 

Veel Nederlandse Joden wisten dat zij gevaar liepen. Het gezin van Ab probeerde te vluchten naar de Verenigde Staten. Maar hun visumaanvraag voor de Verenigde Staten werd afgewezen. Waarom? De Amerikanen gaven de voorkeur aan anderen. Dick Houwaart schreef na de oorlog: “De Amerikanen hadden geen belangstelling voor een paar arme joden uit Rotterdam.” En dus bleef Ab in Nederland.

1941, zomervakantie

Ab moet naar een andere school

Ab zat op gewone Rotterdamse scholen. Eerst de openbare lagere school aan de Frankendaal. Daar haalde hij gemiddelde cijfers. Toen ging hij naar de mulo aan de Kastanjedaal, een soort havo. Hier haalde Ab in 1941 zijn eindexamen

Op de klassenfoto van zijn eindexamenklas zit Ab ontspannen tussen zijn klasgenoten. Een van zijn klasgenoten was Leen Valkenier, de latere schrijver van de Fabeltjeskrant.

Na de zomer zou Ab naar een vervolgschool gaan, de hbs aan het Afrikaanderplein. Een soort vwo. Maar toen kwam die brief. In het tweede jaar van de oorlog. Aan het eind van de zomervakantie. Net voordat het nieuwe schooljaar zou beginnen. Een brief van de burgemeester. Burgemeester Oud. 


Alle Joodse leerlingen in Nederland kregen zo’n brief. In de brief stond dat Joodse kinderen alleen nog naar Joodse scholen mochten.

 

Ab was Joods. Zijn vader was Joods, zijn moeder was Joods, zijn broer was Joods en zijn beide opa’s en oma’s waren Joods. Voor de Duitsers waren Ab en Simon dus ‘voljoods’: zij hadden vier Joodse grootouders.

 

Wat is voljoods?

Waarom kwam de brief in de zomervakantie?
Hoe wisten ze welke mensen Joods waren?
Zaten Joodse kinderen op gewone scholen?
Op welke scholen zaten ze?

De brief van de burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Via Loes Wijnbergen.

NA-DENK: Wat vind jij van deze brief?

Wat moet ik denken als ik het briefje lees van de burgemeester van Rotterdam, mr. P.J. Oud. Een briefje, gedateerd 28 augustus 1941, gericht ‘aan de ouders van Joodsche leerlingen der openbare onderwijsinrichtingen’. Een briefje, gestencild, waarin staat dat joodse kinderen niet meer naar de openbare school mochten waar zij jarenlang les hadden ontvangen. Joodse leerlingen werden met ingang van 1 september van school verwijderd. Over een nieuwe, joodse school zou nog bericht komen.

 

Burgemeester Oud en secretaris Smeding schreven er niet bij dat ze het vervelend vonden. Ze schreven er ook niet bij dat ze het verschrikkelijk vonden en dat het in strijd was met de wet en met de zeden en met de vrijheid en met de menselijkheid. Ze schreven alleen maar dat de joodse kinderen van school moesten. En ze bleven als burgemeester en secretaris Rotterdam besturen.

Dick Houwaart, Verduisterde bevrijding (1982), p.30. 

1941-1942

Ab schrijft Mierenschool

Op het Joods Lyceum schreef Ab een opstel. De titel was: Mierenschool. In het opstel schreef hij over zijn eerste dag op het Joods Lyceum. Abs schoolschrift met het opstel is bewaard gebleven. Hieronder staat het begin van zijn verhaal. Het volledige verhaal 'Mierenschool' lees je hier.

Ab van Dam - Mierenschool - D013135
De eerste pagina van Abs opstel 'Mierenschool'. Bron: Collectie Joods Museum Amsterdam, objectnummer D013135.
Mierenschool. 
Ik ben een jong miertje. 
Voorheen genoot ik openbaar onderwijs op een mieren-H.B.S. Op zekere dag gebeurde het, dat een leger ‘rode’ mieren ons land van de ‘bruine’ mieren binnenviel. Het land werd bezet en al spoedig volgden maatregelen tegen een groep van de bevolking, de ‘zwarte’ mieren, waartoe ook ik behoor. Eén van deze maatregelen was, dat wij op een apart ‘Zwarte-Mieren-Lyceum’ ondergebracht zouden worden.

Ab van Dam, Mierenschool. Collectie Joods Museum Amsterdam, objectnummer D013135.

In Mierenschool neemt Ab de lezer mee naar een schooldag op het Joods Lyceum. Hij vergelijkt de leerlingen en de docenten met mieren. De docenten geeft hij schuilnamen die veel lijken op hun echte naam. Zo noemt hij de rector van het Joods Lyceum, Simon Wijnberg, ‘Bierdal’. 

 

Abs Mierenschool is eigenlijk een soort fabel: een kort verhaal met sprekende dieren die op bestaande mensen lijken. Opvallend is dat Ab in de klas had gezeten met de schrijver van de Fabeltjeskrant. Ook de personages van de Fabeltjeskrant zijn sprekende dieren die gebaseerd waren op bestaande mensen.

 

Is het toeval dat twee klasgenoten allebei fabels gingen schrijven? Of waren zij beiden geïnspireerd geraakt door dezelfde persoon? Misschien een docent op hun mulo die zijn leerlingen had verteld over fabels? Een docent Frans misschien, die vertelde over bekende Franse fabelschrijver Jean de la Fontaine?

 

Zo lijkt dat inderdaad gegaan. Een van Abs klasgenoten van de mulo, Ab König, schreef na de oorlog:

In 1936 stapten wij voor het eerst binnen in het gebouw van ulo-B 12 aan de Kastanjedaal. Wij zaten in rij 1, achteraan, van klas 1b, onder de leiding van O. de Wal. Voorts kregen wij les van de heren v.d. Berg, Koch, de Zeeuw, Heetman, Trommel, v.d. Vlugt, Mey (TAP), van Gemeren.

Ab König, Nostalgia Oluensis (ongedateerd). Privécollectie van Cora König.

Ab König beschrijft hoe hij met zijn vrienden van school naar huis liep. Eerst door de Kastanjedaal, waar de school lag, dan door de Elzendaal, langs de Bogermanschool en de volkstuinen, daarna over de Dalweg, en vervolgens staken zij de Beukendaal over:

Vrijwel dagelijks liepen we samen van school naar huis. Ik woonde iets dichterbij, maar wel in dezelfde richting. Op school en tijdens die wandelingen ontstond eigenlijk – zonder dat we daar iets over konden vermoeden – de eerste kiem van het werk waardoor Leen tot een bekende Nederlander werd.

 

Wij leerden bij de Franse les het werk kennen van Lafontaine, we moesten uit ons hoofd leren:

"Maître Corbeau, sur un arbre perché, tenait en son bec un fromage. Maître Renard, par l'odour alléché, lui tint à peu près ce language..." [vertaling]

 

Wij hadden geen hekel aan die lessen – integendeel – we hadden er wat mee, we praatten erover, we fantaseerden erover, en die fantasieën werden ongeweten de grondslag voor wat later de Fabeltjeskrant zou worden. Ander gefantaseer mondde bij Leen uit in teksten voor, bijvoorbeeld, ons latere cabaretgezelschap De Tondeldoos en de vele andere dingen die door Leen gestalte kregen.

 

Vaak liepen wij vanuit school ook aan andere kant op: in de richting van het huis van Jan Houkes, onze derde man. (Al was hij in die dagen naar mijn gevoel de nummer 1.)

 

Wij werden vrienden omdat we toevallig vlakbij elkaar in de eerste rij van klas 1b terecht waren gekomen. Maar soms denk ik dat er meer was dan toeval. Want alle drie zijn wij beroepshalve in de kunst terechtgekomen: schrijvend, schilderend, musicerend. (...)

Brief van Ab König aan mw. L. de Jeeger t.g.v. het overlijden van Leen Valkenier d.d. 1 maart 1996 (1996, 19 maart). Privécollectie van Cora König.

Ab van Dam - 1941 07 15 - Klassenfo ulo B12 - uitsnede Pa Meij
Pa Meij op de klassenfoto van Abs eindexamenklas in 1941.
Wie was die docent Frans die zijn leerlingen vertelde over de fabels van De la Fontaine? Ab König noemt hierboven zelf zijn naam: T.A.P. Meij. Op school werd hij Pa Meij genoemd. Een oud-leerling herinnert zich hem als "een fantastische leraar". Pa Meij was "introvert, verlegen", maar kwam los als hij het kon hebben over zijn geliefde taal, het Frans. 

 

Het roept de vraag wat er van Ab was geworden als hij was blijven leven. Zijn drie klasgenoten zouden "in de kunst terechtkomen: schrijvend, schilderend, musicerend". En Ab? Had Ab schrijver willen worden?

1941-1942

Abs klas op het Joods Lyceum

Op het Joods Lyceum kwam Ab in de derde klas hbs. In deze klas zaten 25 leerlingen. Ook twee dagboekschrijfsters: Esther van Vriesland en Carry Ulreich. Hun dagboeken zijn na de oorlog uitgegeven. 

 

Zowel Carry als Esther noemen Ab in hun dagboek. Carry vond Ab wel leuk. Zij flirtte een beetje met hem:

In de tram kwam er nog een heel aardige jongen uit onze klas, Ab van Dam, daar heb ik toen een beetje mee geflirt.

Carry Ulreich, ’s Nachts droom ik van vrede, Oorlogsdagboek 1941-1945 (p.34), 15 maart 1942.

Esther noemt Ab in haar dagboek drie keer. Zij vond hem een beetje saai. ‘Een soort fat’, noemt ze hem. Wat is een fat? Dat is iemand die er goed uit wil zien, met mooie kleren en netjes gekamde haren. Het Engelse woord voor ‘fat’ is dandy. Het woord paste in die tijd bij schrijvers en dichters. 

 

Op 12 juni 1942 schreef Esther in haar dagboek dat Ab goed kon tekenen. Op school, tijdens de lunchpauze, tekende hij haar na:

Tussen de middag goot het en ik, de optimist, had een windjack aan. Ab van Dam en Meyer Koopman zouden ons uittekenen. Ze kunnen allebei erg goed tekenen. Ik wou niet, want ik kan zolang niet stilzitten. Dan heb ik overal jeuk. Dus verkoos ik om van de één naar de ander te lopen, om te zien, of hun tekening vorderde. Van Praag stuurde ons weg.

Esther van Vriesland, Esther, een dagboek 1942 (p.137), 12 juni 1942.

Dit is de klas van Ab op het Joods Lyceum. Ab staat voor de kast: hij is de langste van de drie jongens en hij glimlacht. Esther van Vriesland zit op de tweede rij: je ziet alleen haar voorhoofd. Carry Ulreich zit midden in de klas. Zij draagt een donkere blouse met een witte broche.
Foto: Privécollectie Y. Hornman.

1941 - 1942

Abs ouders verliezen de winkel

Joden in Nederland mochten steeds minder. Dat begon al snel na het begin van de oorlog. Op 22 oktober 1940 kwam de eerste maatregel tegen Joodse ondernemers. Zij moesten huin bedrijf aanmelden bij de Duitse overheid. Een paar maanden later, op 12 maart 1941, moesten kleine Joodse bedrijven stoppen. Moest Parfumerie Apollo dicht? Nee, want de hoogste baas van Apollo was niet-Joods. Mocht Maurits van Dam voor de parfumerie blijven werken? Ja, voorlopig wel. Maar de hoogste baas van Apollo huurde alvast een niet-Joodse mevrouw in. Als de parfumerie gezuiverd moest worden, kon zij de zaak overnemen (bron). 

 

Abs broer Simon ging werken als “grossier in parfumerieën”, dus als tussenhandelaar. Hij kocht toiletartikelen bij de groothandel en verkocht ze aan winkels. Hij deed dat onder zijn eigen naam, niet onder de naam Apollo. Tot ook dat niet meer kon.

Vanaf 23 januari 1942 mochten Joden niet meer autorijden. Vanaf 23 maart 1942 mochten zij ook geen andere vervoermiddelen meer besturen. Vier dagen later plaatste Abs broer Simon een advertentie in twee kranten. In de advertentie stond dat hij zijn klanten niet meer kon bezoeken. Hij vroeg hen om daarom langs te komen op de Groene Hilledijk 183. Het leven werd steeds moeilijker voor Joden.
Bron: Nieuwsblad voor de Hoeksewaard en IJselmonde (1942, 27 maart) [via Delpher].

1942, voorjaar

Ab schrijft over zijn laatste lente

Programma Poerimfeest - 1942 03 03 - Joods Museum objectnummer D020531
Programma voor het Poerimfeest op het Joods Lyceum op 3 maart 1942. Ab speelde mee in de revue 'De geheimzinnige hand'. Collectie Joods Historisch Museum, objectnummer D020531.
Op het Joods Lyceum werden feestdagen gevierd met muziek en soms ook toneel. Voor het Poerimfeest op 3 maart 1942 had de school een revue gepland: een serie korte theaterstukjes met zang, dans en grappige toneelstukjes. In het toneelstuk De geheimzinnige hand speelde Ab de rol van Stravinsky en van pensiongast. Andere spelers in het stuk waren Abs klasgenootjes Clara Haagman en Bernard Maarssen, en uit de hogere klassen Nike Bril en Mimi Trijbits.

 

Ab schreef ook in de schoolkrant van het Joods Lyceum. Begin 1942 was papier schaars geworden. Het papier dat er nog was, was duur. Daarom had het Joods Lyceum één schoolkrant voor iedereen. De schoolkrant werd op school aan de muur gehangen. Het was dus een muurkrant. Twee edities van de muurkrant zijn bewaard gebleven (bron). 

 

In een van die muurkranten schreef Ab een stukje. Het heette: Lenteboden. In het stukje schreef Ab dat hij was opgestaan “met een geweldige boze bui”. Hij bromde en mopperde op alles en nog wat. Tot hij de deur opende. De zonnestralen maakten hem gelukkig en tevreden. “En toen ik op mijn fiets zat, toen barstte de vreugde in mij los en ik jubelde, floot en zong. En ik voelde in mij nieuwe kracht, nieuwe energie.” 

 

In het voorjaar van 1942 schreef Ab het verhaal 'Lenteboden' in de muurkrant van het Joods Lyceum. Je ziet het bijna voor je: een vijftienjarige jongen die fluitend en zingend op zijn fiets naar school rijdt.
Ab van Dam, 'Lenteboden'. Uit de muurkrant van het Joods Lyceum (p.4). Bron: Stadsarchief Rotterdam, archief 29 – Nederlands Israelitische Gemeente te Rotterdam, inventarisnummer 789.

Ja, misschien was Ab later schrijver geworden. 
Net als zijn neef Dick Houwaart. 
Dick Houwaart overleefde de oorlog. 
Voor Ab was dit zijn laatste lente.

 

Hoe kan het dat Dick Houwaart de oorlog wel overleefde?

1942, 17 juli

Ab gaat naar Sonja's laatste feestje

Op 17 juli 1942 werd Ab van Dam uitgenodigd voor het feestje van zijn klasgenootje Sonja de Jongh. Uit Abs klas had zij Ab, Sera Sloves, Leny van Zwanenbergh en Esther van Vriesland gevraagd. Ook Simon, Abs oudere broer, mocht komen, en de oudere zus van Leny. Verder had Sonja Rob Frieser uit de vierde uitgenodigd. Dit alles weten we dankzij het dagboek van Esther (bron).

 

Zelf kon Esther niet komen. Daardoor zullen we nooit weten of het feestje doorging. Want eerder die week, op dinsdag 14 juli 1942, waren in Amsterdam zevenhonderd Joden opgepakt. De dag daarna, woensdag 15 juli 1942, was het eerste transport vanuit Westerbork naar vernietigingskamp Auschwitz. Weer twee weken later, op 30 juli 1942, was de eerste massadeportatie van Joden vanuit Rotterdam. Op dit transport zaten tweeduizend Rotterdamse Joden. Ook de moeder en broer van Sonja, Abs klasgenootje. 

1942, 22 juli

Abs vader gearresteerd

Ab van Dam - 1942 07 22 - Arrestatiekaart Maurits van Dam - NL-RtSA_63_3748_00164
De arrestatiekaart van Abs vader Maurits. De kaart staat op zijn geboortenaam, Mozes Levi van Dam. Bron: Stadsarchief Rotterdam, via Oorlogsbronnen.
Op 22 juli 1942, vijf dagen na het verjaardagsfeestje, werd Abs vader gearresteerd. Maurits van Dam werd opgehaald door de Duitse politie, de Sicherheitspolizei. Volgens Dick Houwaart was Maurits verraden door een overbuurman (bron).

 

Misschien had het te maken met zijn fiets. Maurits, Rika, Simon en Ab hadden hun fietsen moeten inleveren, maar hadden dat niet gedaan. Zij hadden hun fietsen verborgen in de fietsenstalling aan de overkant van de straat (bron). Misschien had iemand dat gezien en de politie gebeld.

 

Maurits zat een half jaar gevangen in het Huis van Bewaring in Rotterdam, op de Noordsingel. Toen werd hij gedeporteerd naar Westerbork. Dat was op 11 december 1942.

 

Vanaf dat moment moesten Ab, Simon en moeder Rika voor zichzelf zorgen. Hoe deden ze dat? Met hulp van hun tante Helena. Helena Houwaart-Pronkhorst had in 1941 gelogen tegen de Duitsers (bron). Ze had gezegd dat ze maar twee Joodse grootouders had, niet vier. Daarom hoefde ze geen gele ster te dragen. Ook kreeg ze geen ‘J’ in haar persoonsbewijs. Hierdoor kon tante Helene nog vrij rondreizen. Ze bracht distributiebonnen naar familieleden in Rotterdam, Amsterdam en Den Haag. Helena's zoon, Abs neef Dick Houwaart, ging vaak met zijn moeder mee. Zo maakte hij de laatste maanden van Ab van dichtbij mee.

Zij kan vertellen van de laatste uren in Holland. Van al die opgejaagde, angstige mensen, die zaten te wachten tot hun uur was aangebroken.
Als het kon, sleepte zij mijn zusje en mij mee en zo beleefde ik de laatste maanden mee van hen die er niet meer zijn. Ik zag de toenemende ontreddering, de diepe droefheid, de troosteloosheid van de toekomst. De groeiende eenzaamheid van ooms, tantes, neefs en nichtjes, door iedereen alleen gelaten. Nauwelijks getroost door de naast bijzijnden. In de steek gelaten door de vroegere, goede buren. Uit angst. Opzettelijk. Uit onverschilligheid. 
Zij waren letterlijk aan hun lot overgelaten.
Het joodse lot.

Dick Houwaart, Verduisterde bevrijding (p.26).

Toch ging het leven door. Zo goed en kwaad als het ging.

Ab kwam in de hoofdleiding van een soort vakantieschool voor Joodse kinderen, de Buitenschoolsche Jeugdzorg. Jongeren als Ab speelden daar spelletjes met de kinderen. Zo probeerden ze hen af te leiden van wat er gebeurde in de grotemensenwereld. Waarschijnlijk verdiende Ab hier een zakcentje mee. Dat kon het gezin goed gebruiken.

 

1942 11 13 - Jeugdzorg - Het joodsche weekblad

 

In Rotterdam zat het bureau voor Buitenschoolsche Jeugdzorg op het adres Lumeystraat 3b in Blijdorp (bron). Hier woonde Abs schoolgenootje Jeanne Goudsmid. Jeanne had op het Joods Lyceum twee klassen hoger gzeten dan Ab. In juli 1942 had ze haar eindexamen gehaald. 

1943, 28 januari

Ab, Simon en Rika verraden

Ab, Simon en Rika werden gearresteerd op 28 januari 1943. Waarom werden zij gearresteerd? Dat staat op hun arrestatiekaarten: omdat zij niet ‘geëvacueerd’ wilden worden. 'Evacuatie' betekende deportatie naar ‘het oosten’. Het oosten was ‘Polen’ en uit Polen kwam niemand terug. 

 

Door wie werden Ab, Simon en Rika gearresteerd? Door Rotterdamse politieagenten van Groep Tien, of ‘Groep X’. Deze politiemannen maakten jacht op ondergedoken Joden. Het kan betekenen dat Ab, Simon en Rika waren ondergedoken. Het kan ook betekenen dat zij zijn verraden.

Waarom werd Maurits van Dam verraden en in het Haagse Veer opgeborgen? Waarom werden Rika en Ab en Simon ook verraden toen zij wilden onderduiken?
Hij, van de andere kant, heeft het gedaan.
Hij werd veroordeeld wegens jodenverraad. Een paar jaar kreeg hij. Toen kwam hij vrij.
Hij mocht vrij rond lopen. Weer werken, haten en liefhebben. Vrij zijn en thuis zijn. Eten en drinken. Leven, dat mocht hij weer.

Dick Houwaart, Verduisterde bevrijding (p.37).

Ab, Simon en Rika werden twee weken vastgezet in het Huis van Bewaring aan de Noordsingel. Op 13 februari 1943 werden ze gedeporteerd naar Westerbork. Vader Maurits zat daar toen al. Misschien hebben ze hem daar nog gezien.

1943, 2 maart

Ab moet naar het oosten

Twee weken nadat Ab, Simon en Rika aankwamen in Westerbork, werden zij gedeporteerd. Op 2 maart 1943. Het was het eerste transport naar vernietigingskamp Sobibor. 


In de trein zaten 1105 Joden. Het was een gewone passagierstrein. 
De trein reed drie dagen naar het oosten.

 

Bij aankomst werden Ab, Simon en Rika meteen vermoord. 

 

Weer twee weken later, op 17 maart 1943, werd ook Maurits van Dam op transport gezet naar Sobibor.

Dit is de kaart van Ab van Dam uit de Joodsche Raad Cartotheek. Onderaan de kaart is met een rood potlood een datum geschreven, 2-3-43, met daarachter ‘Transp.’ – transport. Het is de datum dat Ab op de trein naar Sobibor is gezet. En kijk wat er staat bij ‘vroegere werkkring’: 'student, nederl.letterkunde'. Student Nederlandse letterkunde. Nu weten we het zeker. Ab had iets willen doen met ‘Nederlandse letterkunde’. Ab had schrijver willen worden.
Bron: Arolsen Archives, via Oorlogsbronnen.

Herinnering

Abs naam staat op Digitaal Joods Monument. Ook heeft Ab een steentje in het Nationaal Holocaust Monument in Amsterdam.

Meer lezen?

Voor 12-15 jaar

Meer lezen over Abs schooljaar op het Joods Lyceum?

Het dagboek van Esther van Vriesland, Esther, een dagboek 1942, geeft een goed beeld van Abs schooljaar op het Joods Lyceum. 

Abs verhaal Mierenschool lezen?

Abs opstel Mierenschool staat op deze website.

 

Voor 15-18 jaar

Meer lezen over het gezin van Ab?

Het indrukwekkende boek Verduisterde bevrijding van Abs neef Dick Houwaart is te leen in bibliotheken. Je kunt het boek opzoeken via Bibliotheek.nl. 

Meer lezen over Abs schooljaar op het Joods Lyceum?

Het dagboek van Esther van Vriesland, Esther, een dagboek 1942, geeft een goed beeld van Abs schooljaar op het Joods Lyceum. 

Abs verhaal Mierenschool lezen?

Abs opstel Mierenschool staat op deze website.

 

Voor volwassenen

Meer lezen over de Jodenvervolging in Rotterdam?

Marleen van den Berg schreef het boek Joods Rotterdam, Vervolging, ontrechting, terugkeer en rechtsherstel (2025). In het boek belicht zij onder andere Carry Ulreich, een andere leerling van het Joods Lyceum.

Trix van Bennekom schreef de biografie Halte Hausdorff, Het leven van David Hausdorfff: Jood, huisarts en Rotterdammer (2024).

Reactie?

Heeft u een aanvulling op dit verhaal? Of ziet u een taalfout, typefout of een onjuistheid? Laat het ons weten via dit e-mailformulier.

* Deze velden zijn verplicht

Reacties

Er zijn nog geen reacties.