Hans Cats
1929 - 2011
Rotterdam, 18 februari 1929 – Kapelle, België, 24 mei 2011
Hans wordt geboren
Hans en het bombardement
Vluchten: wat is het goede moment?
Hans wordt uitgescholden voor 'rotjood'
Hans moet van school
Hans’ vriendjes uit de klas gehaald
Hans wordt gearresteerd
Hans viert in Westerbork voor het eerst Chanoeka
Hans verzorgt de kippen van Westerbork
Hans moet op transport
Hans zit gevangen in Bergen-Belsen
Hans moet weer in een trein
Hans wordt bevrijd bij Farsleben
Hans op de terugreis
Hans' eerste jaren na de oorlog
Hans wordt geboren
Hans werd geboren in Rotterdam, tijdens een van de koudste winters van voor de oorlog. Bijna was hij in Argentinië geboren, net als een van zijn zussen. Hans’ vader was tijdens de crisisjaren naar Argentinië gegaan. Daar werkte hij als huidenhandelaar. Hierdoor had Hans’ vader Argentijnse identiteitskaarten. Dit zou tijdens de oorlog Hans’ leven redden. Maar dat verhaal komt later.
Hans had twee oudere zussen: Josephine, die Jopie werd genoemd, en Catalina, roepnaam Kaatje, die thuis Zus heette. Hans’ oudste zus Jopie vertelde na de oorlog dat het een rustig, hecht gezin was. De kinderen Cats werden “zeer liberaal opgevoed”, vertelde Jopie na de oorlog. Ze wisten wel dat ze Joods waren, maar ze deden er niets aan. Zelfs de Joodse feestdagen werden niet gevierd. Alleen via de oom van Jopie hoorden de kinderen Cats iets over het Joodse geloof. Het gezin van Jopies oom was niet orthodox, maar ze “deden wel aan vrijdagavond”.
Hans’ moeder, Eva Cats-Huisman, was heel modern. Als een van de eerste vrouwen had ze haar haar kort laten knippen. Ook droeg ze korte rokken en reed ze op een fiets. Dat was bijzonder in die tijd. Hans’ moeder was in 1930 een van de oprichters geweest van de meisjespadvinderij in Hillegersberg. Ze hield ervan om in de natuur te zijn. Ze had ook een moestuin en een bloementuin.
Hans’ vader, Meijer Cats, roepnaam Bob, was begonnen op het kantoor van het huidenbedrijf Van Straaten. Rond 1933 ging hij werken bij Kaufmann Rotterdam. Dat was toen het grootste huidenbedrijf van de wereld. Zijn werk was zijn lust en zijn leven. Hans’ vader werkte de hele week, zelfs op zondag. ’s Morgens ging hij heel vroeg weg, en ’s avonds kwam hij pas laat thuis.
Hans en het bombardement
Hans’ oudste zus Jopie vertelde na de oorlog over haar oorlogservaringen. Op de eerste dag van de oorlog, 10 mei 1940, zag het gezin Cats ‘s morgens vroeg de Duitse vliegtuigen overvliegen. De lucht zag zwart van de vliegtuigen. Het geluid van hun motoren dreunde door de lucht. Jopie vertelde na de oorlog:
Ja, mei 1940. Toen brak de oorlog uit. (…) Eerst ’s morgens om vijf uur, toen lag iedereen nog in zijn bed, vréselijk geronk. En dat beeld staat… Buiten, die weilanden, daar kon je kijken tot Gouda, nou, dat zag zwart van de vliegtuigen en dat rónkte over. Daar kwamen ze aan en niemand kon het maar gelóven werkelijk. We hebben altijd gedacht: ach, Holland blijft wel neutraal, en áls er een oorlog komt, nou, dan hebben we toch een waterlinie, daar komt geen mens door. Nee, maar ze kwamen eróver. Afijn, toen was het zover.
Toen heeft koningin Wilhelmina nog gesproken, heel vroeg in de ochtend, en toen wist iedereen dat het oorlog was.
Bron: USC Shoah Ooggetuigenverslag Josephine Markus-Cats (1996, 14 januari), interviewcode 8484, tape 2.
Vier dagen na de inval van Duitsland bombardeerden de Duitsers Rotterdam. Zelfs in Hillegersberg was dat te voelen. Hans' zus Jopie vertelde na de oorlog:
[Op 10 mei] brak de oorlog uit en meteen kwamen die eerste vliegtuigen laag over. Toen hebben we dat bombardement meegemaakt. Je zag enorme rookpluimen van die stad die brandde. Ons huis – dat helemaal buiten [de stad] stond, want je kon tot Gouda kijken, allemaal weiland – maar zelfs dat huis wankelde heen en weer. Doodeng. Maar goed, wij hebben geen treffer gehad, daarmee hebben we geluk gehad. Al heel gauw stroomde de binnenstad leeg, naar al die buitenwijken toe. Met hun hebben en houden of alleen dat wat ze nog konden redden. Ze probeerden dus bij onze buurten onder te komen om een dak boven hun hoofd te hebben en een beetje te kunnen slapen en een beetje te kunnen eten. En zo kregen wij dan een familie, een gezin. Het eerste wat ze meebrachten was een kooitje met een kanarie erin. Dat was zo ontroerend eigenlijk, dat ze dat kleine vogeltje ook gered hadden uit die vuurzee.
Bron: USC Shoah Ooggetuigenverslag Josephine Markus-Cats (1996, 14 januari), interviewcode 8484, tape 2.
In de dagen na het bombardement werd Hans' lagere school aan het Jacob Marisplein ingericht als noodziekenhuis. Het schoolgebouw lag vol met gewonde mensen uit het centrum van Rotterdam. Ze lagen op matrassen op de grond. Ook op het pleintje voor de school lagen vele gewonden. Na een week waren alle gewonden weggebracht, naar huis of naar ziekenhuizen (bron).
Vluchten: wat is het goede moment?
Een maand voordat de oorlog begon, in april 1940, had de directeur-eigenaar van Kaufmann, het bedrijf waar de vader van Hans werkte, een gesprek gehad met Hans’ vader. Hij raadde hem aan om te vluchten. Hij had gezegd: “Jongen, als ik jou was, zou ik mijn gezin maar alvast naar Argentinië sturen, want het gaat niet goed.” Maar Hans’ moeder wilde niet. Zij wilde dat het gezin bij elkaar zou blijven. Óf allemaal naar Argentinië, of niemand. Na de inval van de Duitsers probeerde het gezin Cats alsnog te vluchten, maar toen was het al te laat.
Toen heeft hij nog geprobeerd, toen die Duitsers de boel al bezet hadden, om alsnog weg te komen naar Argentinië. (…) Want doordat wij jaren in Argentinië gewoond hebben en mijn zusje daar geboren was, betekende dat dat zij automatisch de Argentijnse nationaliteit had. Zij had een Argentijns paspoort. En wij hadden uit die tijd (…) persoonsbewijzen en die had mijn vader ook nog. Op die kaart ging hij spelen. (…) Maar dat lukte niet.
Bron: USC Shoah Ooggetuigenverslag Josephine Markus-Cats (1996, 14 januari), interviewcode 8484, tape 2.
Hadden de Catsen Nederland al eerder moeten verlaten? Zo ja, wanneer? Wat is het goede moment om te vluchten? Al voor de oorlog spraken Nederlandse Joden hierover. Sommigen wisten hoe erg het was in Duitsland. Zoals oom Eli Olman. Oom Eli zat voor de oorlog in een comité dat hulp bood aan Joodse vluchtelingen. Van hen hoorde hij dat Joden gevaar liepen in Duitsland. Dat werd bij Hans thuis besproken.
Op een zondag kwam een andere oom van Jopie op bezoek, oom Maup uit Den Haag. “Wat vind je, moeten we niet weggaan?”, had oom Maup tegen Hans’ vader gezegd. Hans’ vader vond inderdaad dat ze zich moesten voorbereiden om te vluchten. Voor de zekerheid zouden ze alvast wat geld overmaken naar Argentinië. Dan konden ze makkelijk weg als dat nodig was. Maar iedereen dacht dat het wel mee zou vallen. Nederland zou vast neutraal blijven, net als in de Eerste Wereldoorlog.
Uiteindelijk vluchtte niemand. De gezinnen van oom Eli en oom Maup zouden de oorlog niet overleven.
Hans wordt uitgescholden voor 'rotjood'
Op een dag werd Hans op weg naar school uitgescholden door een meisje. Het was al oorlog. Hans was elf of twaalf jaar. Hans kende het meisje: zij zat op dezelfde school en woonde vlak bij hem. “Rotjood!” zei ze. Hans liep naar haar toe en pakte haar springtouw af. Hij bond het meisje met haar eigen springtouw om een lantaarnpaal. Toen liep hij door naar school.
Ook Hans’ oudste zus Jopie maakte iets vervelends mee. In 1939, toen zij in de laatste klas van de middelbare school zat, mocht zij op school trakteren omdat zij jarig was. Moeder Cats had cakejes gebakken. Een klasgenootje van Jopie, een meisje dat net als zij uit Hillegersberg kwam, wilde de traktatie niet. Ze “nam niets aan van Joden”, had ze gezegd. Jopie was geschokt. Het was de eerste keer dat ze zoiets meemaakte. Ze kende het meisje goed; ze zaten elke dag samen in de tram. Het meisje was lid van de NSB: ze ging met haar vader de deuren langs met een NSB-krant, Volk en Vaderland. Misschien had zij de haat tegen Joden meegekregen van haar vader.
Hans moet van school
In de zomer van 1941 was Hans twaalf jaar. Na de zomer zou hij naar de middelbare school gaan. Hij was toegelaten op het Libanon Lyceum. Deze school had hem al ingescheven in het adresboek, maar zijn naam werd doorgestreept, net als de naam van een andere Joodse leerling, Ernst Presseisen. Na de zomer van 1941 mochten Joodse kinderen van de Duitsers niet meer naar openbare scholen. Zij moesten naar een Joodse school. Alleen: er waren geen Joodse scholen in Rotterdam.
De doorgestreepte naam van Hans Cats in het archief van het Libanon Lyceum (bron).
Snel richtte de gemeente Rotterdam Joodse scholen op. Hans kwam in klas 1 van het Joods Lyceum, in de Speelmandwarsstraat in Kralingen. Het Joods Lyceum lag vlak bij het Libanon Lyceum. Tussen de twee scholen lag alleen een kale vlakte. Je zou kunnen zeggen: de oorlog was ertussen gekomen.
In dat eerste schooljaar op het Joods Lyceum konden leerlingen nog met de tram of fiets naar school. Maar vanaf juni 1942 mochten Joden niet meer met de tram. Ook moesten zij hun fietsen inleveren. Vanaf dat moment moesten de leerlingen lopen. Voor veel leerlingen was dit enorm ver. Daarbij kwam dat Joden de hoofdwegen niet meer mochten gebruiken. Hans deed er minstens anderhalf uur over om vanuit Hillegersberg op school te komen.
Jopi en Dodi moesten na de zomervakantie naar het Joods Lyceum, dat zich aan de andere kant van de stad (…) bevond. Op hun dagelijkse tocht naar school moesten ze de Kralingse Plaslaan, vlakbij school, zien te vermijden want de belangrijkste verbindingswegen en winkelstraten van Rotterdam waaronder de Coolsingel, de Goudse Singel, de Binnenweg en de West-Kruiskade waren verboden terrein voor joden.
Bron: Sylvia R. Heimans, De taal, het kind, de liefde. Josepha Mendels (1902-1995) (Nijmegen 2014), p.77.
Hans had zijn fiets moeten inleveren, maar hij mocht nog wel steppen. Daarom ging hij met de autoped naar school, ook al was hij daar eigenlijk te oud voor. Hans was in februari 1942 dertien geworden.
Hans’ vriendjes uit de klas gehaald
Hans vond het verschrikkelijk op het Joods Lyceum. Hij vertelde dat de leerlingen altijd bang waren, omdat kinderen en docenten zomaar uit de klas werden gehaald. Als de deurbel van de school ging, schrokken de leerlingen en krompen ze in elkaar. Ze luisterden naar de voetstappen op de gang. Als de stappen stopten voor hun lokaal, wachtten ze met ingehouden adem. De klop op de deur klonk in hun oren als een donderslag. “Een donderslag, die iedereen verwachtte,” vertelde Hans' weduwe later. Hans droomde er jaren later nog van.
Ook oud-docent Jaap van Praag herinnerde zich het ophalen van een leerling uit de klas:
De kinderen waren dikwijls erg bedrukt. (…) Er is er ook wel eens eentje bij mij uit de klas weggehaald, midden in de les. Dat is een heel moeilijk verwerkbare ervaring. Je kunt er niks aan doen en dan komt er zo’n SS'er – Nederlanders waren dat altijd hoor – die komt dan je klas binnen en zegt: ‘Ik kom die-en-die halen’. Dan laat je hem maar gaan. Wat zou je anders doen? (…) Het was een klein jongetje, een jaar of dertien, veertien. Het was in de tweede klas, denk ik, waar zich dat afspeelde. (…)
Derkx, P. & B. Gasenbeek, J.P. van Praag; Vader van het moderne Nederlandse humanisme (Utrecht 1997), p. 48-49.
Deze herinnering van Jaap van Praag ging waarschijnlijk over de klas van Hans. Hans zat na de zomer van 1942 in de tweede klas van het Joods Lyceum.
In het najaar van 1942 gebeurde er nog iets in Hans’ klas. Twee andere klasgenootjes van Hans, Daniël Weijl en zijn pleegbroertje Bubi Körner, moesten tijdens de les verdwijnen. De rector van het Joods Lyceum, Simon Wijnberg, had namelijk bericht gekregen dat de ouders van Daniël en Bubi in Gouda waren opgepakt door de Duitsers. De rector wist dat de Duitsers daarna Daniël en Bubi konden komen ophalen op school, om hen naar een concentratiekamp te sturen. Snel zocht hij een onderduikadres voor de jongens.
Hans was door dit alles zeer ontdaan. Hij kon het niet meer aan om naar school te gaan. Zijn ouders besloten hem voortaan thuis te houden. Zij gaven hem zelf les.
Hans ging dus niet meer naar school. Maar hij moest wel bezig blijven. In Hillegersberg hielp Hans de melkboer en de kippenboer. Dat zou later nog goed van pas komen: in kamp Westerbork zorgde Hans voor de kippen van de Duitse kampcommandant Gemmeker.
Hans wordt gearresteerd
Het gezin van Hans mocht lang in Rotterdam blijven. Toen bijna alle joden uit Rotterdam waren weggehaald, woonde Hans nog thuis aan de Molenlaan. Dat kon omdat zijn vader in huiden handelde. De Duitsers hadden huiden nodig: ze maakten er leer van voor soldatenlaarzen. Daarom kregen Hans en zijn ouders en zussen uitstel van deportatie. Maar tot wanneer?
Sommige mensen probeerden te vluchten. Ook een Joodse collega van Hans’ vader, die net als het gezin Cats aan de Molenlaan woonde. Met zijn vrouw, zoon en dochters ontvluchtte hij Nederland. Dit gezin kwam veilig aan in Zwitserland, maar andere Joodse gezinnen uit Rotterdam werden onderweg opgepakt en gedeporteerd. De vader van Hans vond vluchten niet verstandig. Hij wilde ook niet onderduiken, al had dat wel gekund.
Mijn vader was bang dat hij daar [onderduiken] zijn papieren mee verspeelde. Als dat verraden zou worden, dan ben je natuurlijk hulpeloos, dan was je een strafgeval en dan was Auschwitz het eind, schluss. Niet dat je toen precies wist wat het was, maar je wist wel dat het iets heel ergs zou zijn.
Hans' zus Jopie Cats (bron)
Op een dag was het zover. Het gebeurde op vrijdag 10 december, net voordat Hans Sinterklaas zou vieren. Het gezin Cats werd thuis opgehaald door Groep X. Hans dacht er nog over om te ontsnappen. Dat kon, want zijn kamer lag aan de achterkant van het huis, boven een uitbouw met een plat dak. Hans kon vanuit zijn kamer makkelijk op dat platte dak komen. Vanaf het dak kon hij in de tuin komen. Maar hij besloot het niet te doen. Hij wilde bij zijn familie blijven.
Het gezin Cats werd opgesloten op het politiebureau Haagse Veer in Rotterdam. Iedereen behalve Zus, misschien omdat zij de Argentijnse nationaliteit had. De politiemannen van Groep X die het gezin hadden opgehaald, kregen fl. 7,50 per opgepakte Jood – ‘kopgeld’ noemden ze dat.
Veertien dagen zat Hans vast op het politiebureau Haagse Veer. Hij zat niet in een cel, maar in een afgesloten ruimte met stapelbedden, samen met zijn ouders en zijn zus Jopie. Na twee weken werden zij op transport gezet naar Westerbork.
Hans viert in Westerbork voor het eerst Chanoeka
Kamp Westerbork was een doorgangskamp in Drenthe. Joden werden vanuit heel Nederland met de trein naar Westerbork vervoerd. Ze verlieten het kamp ook per trein. Elke week vertrok er een transport naar een vernietigingskamp of concentratiekamp in Midden-Europa. Via Westerbork zijn ruim 102.000 Joden en 245 Roma gedeporteerd.
Hans, zijn zus Jopie en hun ouders kwamen ‘s morgens op 24 december 1943 aan in Westerbork. Dat was precies tijdens de viering van Chanoeka. Voor Hans en Jopie was dit de eerste keer dat zij Chanoeka vierden. Thuis vierden zij de Joodse feestdagen niet.
In Westerbork hadden de Catsen nog steeds een bijzondere status vanwege het Argentijnse identiteitsbewijs van Hans’ vader. In hun persoonsbewijs stond een speciaal stempel met een 120.000-nummer. Dat nummer gaf aan dat zij op de Stammliste stonden, een lijst met mensen die bepaalde privileges hadden. Hierdoor zat de familie Cats in Westerbork niet in een normale barak, maar in een woonbarak die afgescheiden ruimtes had, een soort ‘huisjes’. In een van die afgescheiden compartimenten woonde het gezin Cats. Eerst samen met een verpleegster, en later met een ouder echtpaar. Hun barak had nummer 64. Ergens in deze woonbarak sliep ook Sera Sloves, die op het Joods Lyceum twee klassen hoger had gezeten dan Hans.
Ondertussen zat Hans’ jongste zus nog steeds in Rotterdam. Zus werd pas op 29 januari 1944 gearresteerd, zo’n anderhalve maand na Hans. Ook zij werd doorgestuurd naar Westerbork. Daar kwam zij ’s morgens op 1 februari 1944 aan. Nog diezelfde middag werd zij op transport gesteld. Hans’ ouders dachten dat zij naar Vichy werd gestuurd, het vrije Frankrijk, omdat Zus de Argentijnse nationaliteit had. Het gerucht ging dat zij daar dan uitgewisseld zou worden. Maar zeker weten wisten ze het niet. Hans’ ouders maakten zich veel zorgen om Zus.
Hans, Jopie en hun ouders hoefden voorlopig niet op transport. Maar ze moesten wel werken, net als de andere gevangenen. Vader Bob moest batterijen uit elkaar halen en proberen die te repareren (wat hij natuurlijk niet deed). Moeder Eva ging als apothekersassistente aan de slag in de apotheek. Jopie ging jonge kinderen lesgeven in het schooltje. Zij gaf ook een paar keer Nederlandse les aan Anne Frank. En Hans? Hans wist hoe hij kippen moest verzorgen. En de Duitse kampcommandant, Albert Konrad Gemmeker, had kippen.
Hans verzorgt de kippen van Westerbork
De villa van kampcommandant Gemmeker lag buiten het kamp, naast de ingang. Hans mocht dus het kamp uit om voor de kippen van Gemmeker te zorgen. Om de commandantswoning lag een grote tuin met bloemen en planten. Die tuin werd onderhouden door Joodse kampgevangenen. Ook werden er groenten en tabak verbouwd. Daar was ook de kippenboerderij.
“Hij heeft vast veel eitjes gejat”, vertelde de weduwe van Hans. Ook draaide Hans af en toe een kip de nek om. Dat was weer extra eten voor de familie Cats. Verder pakte Hans in Westerbork wel eens stiekem aardappels uit een treinwagon. Hans' weduwe: “Het eerste wat hij ooit tegen zijn kleinkinderen zei, was: ‘Ik heb gestolen.’”
Hans en zijn ouders en zus zaten bijna negen maanden gevangen in Kamp Westerbork. Zestien transporten naar het oosten gingen aan hen voorbij.
Hans moet op transport
Tot ook Hans op transport moest. Het allerlaatste transport vanuit Westerbork. “Wij vielen nog net in de prijs. Dat was pech,” zei Hans' zus Jopie na de oorlog.
Hans, Jopie en hun ouders vertrokken in “een beestenwagen”, vertelde Jopie. “Afschuwelijk natuurlijk, vooral met sanitair dat er niet is.” In plaats van een wc was er een emmer of ton. Mannen en vrouwen zaten allemaal bij elkaar, dus als iemand naar de wc moest, kon iedereen dat zien. In de goederenwagon waren ook geen banken om op te zitten. “Als je wilde zitten, moest je op de grond gaan zitten. Daar was wel gelegenheid voor, maar niet allemaal tegelijk,” zei Jopie. Gelukkig bleef het gezin Cats bij elkaar, in dezelfde wagon.
Af en toe stopte de trein op een stationnetje. Dan kregen de gevangenen soms wat te eten toegeworpen, bijvoorbeeld brood. Maar Hans en Jopie hadden meer aandacht voor de buitenwereld. Zij konden naar buiten kijken door kieren tussen het hout van de wagon. Zo zagen zij dat het landschap veranderde, en dat ze in Duitsland waren. Op stationnetjes probeerden ze te zien waar ze waren. Jopie vertelde na de oorlog: “Als je dan weer op een station kwam, dan keek je waar je dan was, en dan zag je in de verte Bremen, ja en waar ga je dan in godsnaam naartoe? We hadden geen flauwe clou waar we heen gingen.”
Hans zit gevangen in Bergen-Belsen
De goederentrein stopte op een treinstation in de buurt van concentratiekamp Bergen-Belsen. Op het perron werden Hans, Jopie, hun ouders en de andere 275 passagiers opgewacht door bewakers met honden. “Schnell, schnell !”, riepen de bewakers. De Joden moesten hun bagage achterlaten. Ze moesten zo’n zes kilometer lopen naar het kamp. In de herinnering van Jopie duurde het lopen wel anderhalf of twee uur. Ook oude en zieken mensen moesten lopen, of ze nu konden of niet. Sommige mensen bezweken onderweg. “Ja, dat was héél afschuwelijk”, vertelde Jopie later. “Daar voelde je al: dit gaat niet goed. Dat kan nooit goed aflopen.”
Toen Hans en Jopie Bergen-Belsen binnenliepen, was het druilerig weer. Plotseling riep hun moeder: “Zus!” Hans’ zus stond aan het hek. Zus was vanuit Westerbork dus niet gedeporteerd naar het vrije Frankrijk, zoals Hans’ ouders dachten, maar naar concentratiekamp Bergen-Belsen. Het was een enorme opluchting dat zij er nog was. Het gaf het gezin een beetje hoop dat zij vanuit Bergen-Belsen zouden worden uitgewisseld, vanwege hun Argentijnse papieren. Zus zei wel meteen dat Bergen-Belsen een heel slecht kamp was, ook al was het geen vernietigingskamp.
Concentratiekamp Bergen-Belsen bestond uit drie kampen, die zelf ook weer deelkampen hadden. Er was een kamp voor Joodse gevangenen, een kamp voor Russische krijgsgevangenen en een groot ziekenhuis. Het kamp voor Joden was een uitwisselingskamp. Het was bedoeld voor Joden die een bijzonder paspoort hadden, die een dubbele nationaliteit hadden of die een certificaat voor Palestina hadden. De Duitsers noemden deze Joden ‘ruiljoden’ of ‘Austauschjuden’. De nazi’s wilden hen in leven houden om hen te kunnen ruilen voor Duitsers in het buitenland, zoals in de Verenigde Staten, of voor geld of goederen. Eigenlijk waren deze Joden gijzelaars.
Het Joodse deel van het kamp had vijf verschillende deelkampen: het Häftlingslager, het Sonderlager, het Neutralenlager, het Ungarnlager en het Sternlager of ‘sterrenkamp’. Het Sternlager was het grootste kamp. Hier zaten veel Nederlandse Joden. Ook de familie Cats.
Het leven in het Sternlager was zeer slecht. Overdag moesten de gevangenen werken, 11 uur per dag. ’s Nachts lagen zij in de koude barakken. De vloeren waren van steen of cement. In de barakken stonden alleen stapelbedden van drie hoog. De gevangenen sliepen met twee mensen in één smal bed. Zij lagen niet op matrassen, maar op strozakken. Het stro zat vol luizen. Iedereen zat dus onder de luizen. Ook had bijna iedereen diarree.
Hans heeft bijna nooit gesproken over Bergen-Belsen. Maar na de oorlog zei hij eens: “Westerbork was peanuts vergeleken bij Bergen-Belsen.” Het ergst vond Hans het appèl. Elke ochtend moesten de gevangenen buiten rechtop staan om geteld te worden. Ook als het regende, als het vroor of als het hard waaide. Het tellen duurde vaak urenlang. Als er iemand flauwviel, begon het tellen opnieuw. Soms waren er strafappèls, waarbij gevangenen de hele dag moesten staan, en soms ook nog ’s nachts. Voor kinderen, ouderen, zieken en zwangere vrouwen was dit erg zwaar. Mensen die het niet volhielden om zo lang te staan, vielen en stierven. Toen Hans later in zijn leven de film Sophie’s Choice zag, zei hij: “Je kunt het niet filmen. De geuren, de vernedering, de honger, de luizen, al het ongedierte. Met daaromheen al die kerels met die geweren. Het bestaat niet dat je dat kunt filmen.”
Hans vertelde ook over de honger: “Afgrijselijk, zeker voor een puber.” Per dag kregen de gevangenen alleen twee sneden brood en halve liter watersoep. Hans’ zus Jopie vertelde na de oorlog:
De soep die je kreeg, dat was echt puur water. Een kom water waar een paar stukjes koolraap in dreven (…). In het begin zat er nog vlees in – nou ja, zoals je in de soep wel eens van die floddertjes hebt zitten, van die draadjes – maar later ook niet meer. En dan kreeg je altijd van dat zwarte brood. Ook helemaal afgepast, ik geloof twee boterhammen per dag, en een klein hompje boter, margarine, voor de week.
Bron: USC Shoah Ooggetuigenverslag Josephine Markus-Cats (1996, 14 januari), interviewcode 8484, tape 3.
Omdat ze zo weinig te eten kregen, praatten de gevangenen de hele dag over eten. Jopie Cats:
Het gesprek ging de godganse dag over eten. Recepten uitwisselen. Je barstte van de honger, maar je deed je als het ware te goed aan de verhalen, door dan maar over eten te práten. Dan was het alsof je het al rook, alsof je het al proefde. En je zong af en toe toch eens een lied. Zo hield je de moed er met elkaar toch wel een beetje in. Maar ja, dat werd natuurlijk op den duur steeds minder.
Bron: USC Shoah Ooggetuigenverslag Josephine Markus-Cats (1996, 14 januari), interviewcode 8484, tape 3.
Toch hadden Joden in Bergen-Belsen het ‘beter’ dan Joden in andere kampen. Ze werden niet vergast, ze mochten hun eigen kleding blijven dragen en ze hielden hoop op uitwisseling. Maar in 1945 was Bergen-Belsen een dodenkamp geworden. Het kamp zat overvol. Steeds kwamen er mensen bij uit andere concentratiekampen. Mensen gingen dood aan ziekten, ondervoeding en uitputting. Alleen al tussen januari en april 1945 stierven in Bergen-Belsen ongeveer 35.000 personen. In maart 1945 vielen er zo’n 600 doden per dag. Overal in het kamp lagen stapels lijken.
De familie Cats zat maar kort in het Sternlager. Op 12 november 1944 mochten zij naar een ander deelkamp van Bergen-Belsen: het Schneebaum Lager. In dit kamp zaten Joden uit neutrale landen. De gevangenen in het Schneebaum Lager hoefden niet te werken. Aan het eind van de oorlog mochten ze zelfs onder de douche, twee keer per maand. Tijdens het douchen werden zij bewaakt door Duitsers in uniform. Een van die Duitse bewakers, een oude man die de gevangenen Popeye noemden, vertelde aan Jopie dat de Russen in de buurt waren. De Russen, dat waren de bevrijders. Rusland hoorde bij de geallieerden.
De Duitse man vertelde aan Jopie dat zij moed moest houden en dat het niet lang meer zou duren. Dat was groot nieuws. Jopie wist niet of het waar was of niet, maar ze vertelde het aan de andere gevangenen. Iedereen bloeide op. “Zo hielden we hoop.”
Rond dezelfde tijd, in maart 1945, kregen de gevangenen in het Schneebaum Lager plotseling een pakketje van het Rode Kruis uit Zweden. “We wisten niet hoe we het hadden,” vertelde Jopie na de oorlog. In het pakketje zat Zweeds knäckebröd, suiker, een potje jam, een beetje koffie en een beetje thee. “Het was maar een heel klein pakketje hoor. Maar dat heeft iedereen zo gauw mogelijk verslonden.”
Hans moet weer in een trein
De Duitsers waren de oorlog aan het verliezen. Van alle kanten kwamen de geallieerde legers dichterbij. De Britse en Amerikaanse legers naderden vanuit het zuidwesten, het Russische leger naderde vanuit het oosten. De Duitsers besloten om alle ‘ruiljoden’ uit uitwisselingskamp Bergen-Belsen op transport te zetten naar concentratiekamp Theresienstadt. Hans kon niet meer lopen. Hij wist later niet meer hoe hij van het kamp Bergen-Belsen op het station van Bergen-Belsen was gekomen.
Uit Bergen-Belsen zijn drie treinen vertrokken. Slechts een van deze treinen kwam aan in Theresienstadt. Hans, zijn zusjes Jopie en Zus, hun ouders en een tante zaten op een van de andere twee treinen.
Onze biezen pakken, weg, weer terug naar die trein. Zou dat gunstig zijn, zou dat ongunstig zijn, niemand wist waarheen, niemand wist wat er was, [niemand wist] waarom. Heleboel mensen, heleboel.
Bron: USC Shoah Ooggetuigenverslag Josephine Markus-Cats (1996, 14 januari), interviewcode 8484, tape 3
De trein had ongeveer 45 wagons. Die waren gevuld met zo’n 2.000 mensen. Sommige wagons waren veewagens. Voor de mensen in deze wagons was de reis het zwaarst. Andere wagons waren oude personenwagons. De gevangenen in deze trein hadden het iets beter. De familie van Hans zat in zo’n personenwagon. De trein werd bewaakt door Duitse soldaten.
De trein reed langzaam. Hans en zijn familie hadden geen idee waar zij waren. Jopie vertelde na de oorlog: “Je hoorde vreselijk geknal van kanonnen in de verte, maar je wist niet wie tegen wie, en wat tegen wat, en waar je zat.” Het enige wat Hans en zijn familie wisten, is dat zij naar het oosten reden.
Soms bleef de trein lange tijd staan. Soms reed de trein een eind terug. Dan hadden de Duitse bewakers gehoord dat ze in de buurt van een geallieerd leger kamen. Ze wilden niet dat de Joodse gevangenen in handen van de geallieerden vielen. Zeven dagen reed de trein heen en weer tussen de linies. Al die tijd kregen de gevangenen geen eten of drinken.
De Duitse bewakers wisten niet meer wat zij met de trein moesten doen. Uiteindelijk besloten zij om de trein in de rivier de Elbe te laten rijden. Ze zouden de spoorbrug over de Elbe opblazen en dan zou de trein de rivier in rijden. Met de passagiers.
Hans wordt bevrijd bij Farsleben
De trein was vlak bij de rivier de Elbe. De Duitsers maakten de trein klaar om hem in de rivier te laten rijden. De Amerikanen waren al dicht in de buurt. Het vreemde gemanoeuvreer met de trein had hun aandacht getrokken. Ze gingen kijken wat er aan de hand was.
De Duitse bewakers zagen op de spoordijk langs het water de silhouetten van twee Amerikaanse soldaten. De Duitsers raakten in paniek. Ze gooiden hun wapens weg en vluchtten. Korte tijd later kwamen twee Amerikaanse tanks aan bij de trein.
Sergeant Carrol S. ‘Red’ Walsh vertelde na de oorlog:
We reden over een onverharde weg, voor zover ik me kan herinneren. Ik had geen idee wat we naderden, waar we heen gingen of wat er aan de hand was. Ik herinner me dat we dit gebied in kwamen, en plotseling zag ik voor me die trein. Hij stond stil. In mijn gedachten kan ik hem nog steeds voor me zien. Ik kon zien hoe lang die trein was, die lange, lange rij goederenwagons en vooraan de locomotief. Er waren op dat moment geen SS-bewakers bij. Ik herinner me dat ik mijn tank naar rechts zwenkte en naast de trein ging rijden. Ik wist niet wat er precies in die trein zat, totdat de tank stopte. Toen zag ik wat er in de trein zat... Ik herinner me nog dat ik in die goederenwagons keek en die mensen zag die daar dicht op elkaar gepropt zaten.
Bron: Sergeant Carrol S. ‘Red’ Walsh (2009).
Via https://www.13april1945.com/history/sergeant-carrol-s-walsh.
Een paar mensen die Engels spraken, zijn uit de trein gegaan om met de bevrijders te praten. Ook Hans vader ging uit de trein. Sergeant George C. Cross, een Amerikaanse tankcommandant, beschreef wat hij meemaakte:
We stonden voor de tank toen zich spontaan een lange rij mannen, vrouwen en kleine kinderen vormde om ons te begroeten, met grote waardigheid en zonder verwarring. Het is een moment dat ik nooit zal vergeten. Het was ontzettend ontroerend om te zien met welke hoffelijkheid ze elkaar behandelden en hoeveel waarde ze leken te hechten aan het herbevestigen van hun identiteit op een onmiskenbaar officiële manier. Ieder van hen nam een strakke, aandachtige houding aan, die met enige moeite werd volgehouden, en stelde zich voor met wat een soort formule was geworden: de volledige naam, gevolgd door “een Poolse Jood uit Hongarije” – of een soortgelijke zin die zowel de herkomst als het thuisland van de persoon aangaf.
Bron: Sergeant George C. Cross, ‘13 April 1945, Sergeant George Gross’.
Via https://www.13april1945.com/history/sergeant-george-gross.
Sergeant Carrol S. ‘Red’ Walsh:
Het raakt me zelfs nu nog als ik eraan denk waar ze naartoe gingen. Ze waren op weg naar een ander concentratiekamp en vernietiging. En ik word nu emotioneel omdat ik weet wat ze hadden meegemaakt, en wat het voor hen betekende dat we die trein toevallig op dat moment onderschepten. Het zijn echte mensen. Als ik erop terugkijk, waren het bijna geen ‘echte mensen’ toen ik ze voor het eerst in de trein tegenkwam! Het was gewoon een grote groep; 2.500 mensen... en toen, ineens, hadden ze namen. Ze hadden levens. Ze hadden families. Ze hadden verhalen.
Bron: Sergeant Carrol S. ‘Red’ Walsh [2009].
Via https://www.13april1945.com/history/sergeant-carrol-s-walsh.
De bevrijde treinpassagiers kwamen uit de trein. Velen konden niet meer lopen. Ook Hans niet. Mensen gingen zitten of liggen op het talud langs de spoorlijn.
Wie kon lopen, ging op zoek naar bessen en ander eetbaars. Zestien mensen stierven voordat zij voedsel konden krijgen.
Een van de bevrijders was de Amerikaan Frank W. Towers. Hij was zo onder de indruk van de mensen die hij zag in de trein, dat hij ze later opspoorde en ze een brief schreef. Ook aan Hans schreef hij een brief. Daaruit groeide een briefwisseling.
Hans op de terugreis
De Amerikaanse soldaten brachten de bevrijde mensen onder bij de boerenbevolking. De boeren in deze omgeving hadden aan het eind van de oorlog nog veel te eten. Hans’ moeder had haar kinderen gewaarschuwd dat zij niet meteen te veel moesten eten. Daar was hun lichaam niet meer aan gewend. Als apothekersassistente wist ze dat ze dan zouden kunnen sterven. En ze waren er al slecht aan toe. Hans en Jopie hadden hoge koorts.
Na twee-en-een-halve week zijn Hans, zijn zussen en hun ouders op de trein gezet naar Hillersleben, een dorp in de omgeving. Ze verbleven daar in flatgebouwen waar Duitse soldaten ingekwartierd hadden gezeten. Een soort kazerne dus. In de la van het nachtkastje vond Hans knopen van militaire uniforms. Die hadden de soldaten snel van hun jasje afgeknipt toen de geallieerden eraan kwamen.
De Amerikanen vertrouwden de Russen niet, vertelde Hans’ zus Jopie. Daarom regelden de Amerikanen dat zij zo snel mogelijk weer naar Nederland konden. Ook dat moest weer per trein. De Amerikanen verontschuldigden zich dat zij alleen goederenwagons hadden. Jopie vertelde:
Een beestenwagen dus. Maar vrij! Dat is zo’n ander gevoel. (…)
En dan eindelijk, ik denk dat we een dag of drie onderweg zijn geweest, het was een prachtige avond, begin mei, strakblauwe lucht, geen wolkje, ansichtkaartenlucht, en dan kwamen we ineens langs een berg van kolen. Dus we wisten: dat moest een mijn zijn. En daarboven op die berg, die zwarte berg, die behoorlijk hoog was, daar wapperde de rood-wit-blauwe vlag. Toen hebben we met z’n allen het Wilhelmus gezongen. En toen waren we echt bevrijd.
Bron: USC Shoah Ooggetuigenverslag Josephine Markus-Cats (1996, 14 januari), interviewcode 8484, tape 4.
Hans en zijn familie kwamen eind april of begin mei 1945 weer in Nederland. Het zuiden van Nederland was toen al bevrijd. Het westen van Nederland nog niet, dat was nog in Duitse handen. Het gezin Cats kwam terecht in Eindhoven, in het bevrijde deel van Nederland. In het gebouw van Philips werden zij ontluisd en kregen zij een medische keuring. “Toen kregen we wel weer even een domper,” vertelde Jopie na de oorlog. “Mijn vader had pleuris, mijn broer had tb en ik had tb. Gelukkig was dat toen allemaal beginstadium, zodat wij niet in een sanatorium terecht zijn gekomen. We mochten wel gewoon thuisblijven, met een ‘mestkuur’ ging dat toen nog, en veel rust zodat je beter werd. Penicilline was er toen nog net niet.”
Hans' eerste jaren na de oorlog
Op 20 juli 1945 schreef het gezin Cats zich weer in op hun oude adres aan de Molenlaan in Hillegersberg. In hun huis hadden NSB'ers of Duitsers gewoond. Zij waren vertrokken met onbekende bestemming.
Na de bevrijding was Hans doodziek. Naast tuberculose kreeg hij ook de pleuris. Hij moest een jaar op bed liggen om te herstellen. In dat jaar had hij thuis privéles, van een leraar van de mulo in Hillegersberg, de heer Van der Kloot. Vanuit zijn bed deed Hans in één jaar zes klassen van de middelbare school. Zijn leraar Van der Kloot zei: "Als kinderen echt willen, dan kunnen ze alles." Engels leerde hij van de Amerikaanse radiozender American Forces Network. De radio had hij gekregen van de vriend van Zus, John Pais, die bij de Prinses Irene Brigade zat. De radio van Hans bestaat nog steeds. Hij staat in het Rotterdams Radio Museum.
In 1947 deed Hans eindexamen aan het Kennemer Lyceum bij Haarlem. Deze school had een speciale klas voor kinderen uit concentratiekampen en overlevenden uit de jappenkampen in Nederlands-Indië. Hans woonde dat schooljaar in huis bij een leraar in Haarlem. In het weekend was hij thuis in Rotterdam.
De kinderen van het speciale klasje van het Kennemer Lyceum hoefden van het ministerie geen eindexamen te doen. Maar Hans' vader vonden een diploma belangrijk. Tijdens het mondelinge eindexamen vroeg de examinator dingen aan Hans die hij onmogelijk kon weten.
– Waarom weet jij dat niet? vroeg de toezichthouder.
– Omdat ik in een kamp heb gezeten, zei Hans.
Meteen nam de toezichthouder het examen over.
– Dan stel ik de vragen.
Zo haalde Hans zijn eindexamen.
Het boek Groeten van Leo is speciaal voor jonge kinderen. Leo Meijer is een jongen van zeven jaar uit Dordrecht. Hij is anders dan zijn buurmeisje, omdat hij Joods is. Leo woont twee jaar in kamp Westerbork. Dit is het verhaal over zijn leven, met foto’s en zijn eigen tekeningen en briefjes.
Herinneringscentrum Kamp Westerbork vertelt het verhaal achter de foto van de Chanoeka-viering in Westerbork.
Op Kamp Westerbork Digitale Collectie is veel te vinden over Westerbork. Er is onder andere een interactieve plattegrond van het kamp. Er is ook een pagina over barak 64, waar Hans zat.
Het boek Hetty. Ik was veertien en zat gevangen in Bergen-Belsen is geschreven door Hetty Verolme. Het is haar eigen verhaal. Hetty was aan het begin van de oorlog tien jaar. Ze woonde in Amsterdam. Net als Hans Cats kwam ze terecht in concentratiekamp Bergen-Belsen. Daar zat ze veertien maanden in de kinderbarak. Omdat ze daar een van de oudsten was, werd Hetty 'de kleine moeder' van ongeveer veertig kinderen.
Op de website Teaching History Matters staan foto's van de bevrijding van de trein bij Farsleben.
Op Kamp Westerbork Digitale Collectie is veel te vinden over Westerbork. Er is onder andere een interactieve plattegrond van het kamp. Er is ook een pagina over barak 64, waar Hans een tijd zat. Op de website Coenraad Rood staat een hartverscheurend getuigenverslag over wat Coenraad Rood zag vanuit de ramen van barak 64.
Het boek Hetty. Ik was veertien en zat gevangen in Bergen-Belsen is geschreven door Hetty Verolme. Het is haar eigen verhaal. Hetty was aan het begin van de oorlog tien jaar. Ze woonde in Amsterdam. Net als Hans Cats kwam ze terecht in concentratiekamp Bergen-Belsen. Daar zat ze veertien maanden in de kinderbarak. Omdat ze daar een van de oudsten was, werd Hetty 'de kleine moeder' van ongeveer veertig kinderen.
In Bergen-Belsen zat ook een andere leerling van het Joods Lyceum: Ernst Presseisen. Zijn oudere broer Hans Presseisen schreef in Westerbork en in Bergen-Belsen gedichten. Hans Presseisen heeft Bergen-Belsen niet overleefd. Na de oorlog hebben zijn broers Ernst en Sally zijn gedichten uitgegeven in de bundel Gedichten van Hans Presseisen (1921-1944).
Op de website Teaching History Matters kun je in het Engels lezen over de bevrijding van de trein bij Farsleben en ook foto's bekijken die toen zijn gemaakt.
Reacties
Reactie door Anoniem op 04-05-2026 09:11
Indrukwekkend verhaal over het leven van mijn vader en zijn gezin. Je kan je er onmogelijk een beeld bij krijgen wat zij hebben door moeten staan. Maar zij hadden het geluk deze vreselijke oorlog te overleven. Dank voor het mooi beschrijven daarvan!