Jeanne Goudsmid
1923 - 1942
Rotterdam, 8 februari 1923 – Auschwitz, 19 oktober 1942
Jeannes eerste voorvader in Nederland
Jeanne wordt geboren
Jeanne zit op de lagere school
Jeanne krijgt een pleegzusje
Jeanne moet naar het Joods Lyceum
Jeannes vader verliest zijn bedrijf
Jeannes zussen weggevoerd
Jeanne en haar moeder opgepakt
Jeanne ziet haar vader weer in Westerbork
Jeanne gedeporteerd naar Auschwitz
Jeannes eerste voorvader in Nederland
De eerste voorouder van Jeanne die we weten, is Lion Asser Goudsmit. Hij werd rond 1763 geboren in Amsterdam. Later verhuisde hij naar Kampen. In 1811 koos hij als achternaam Goudsmit. Ook al was hij geen goudsmid, maar koopman en godsdienstleraar. Niemand van deze familie Goudsmit is ooit goudsmid geweest.
Jeanne kwam uit de Rotterdamse tak van deze familie Goudsmid. Een kleinzoon van de oer-Goudsmit was in 1898 naar Rotterdam verhuisd. Alle Rotterdamse Goudsmits en Goudsmids stamden van hem af. Ook Jeanne. Die eerste Rotterdamse Goudsmit was haar opa.
Jeanne wordt geboren
Jeanne Goudsmid werd geboren in 1923. Zij kreeg een Franse naam die toen populair was: Jeanne. Haar roepnaam werd Sjaan.
De meeste meisjes werden vroeger vernoemd naar hun oma. Maar Jeannes beide oma's waren al vernoemd: Jeanne had twee oudere zussen. Jeannes oudste zus Martha Sara Goudsmid was vernoemd naar hun oma van vaderskant, oma Martha Goudsmid-Gudema. Jeannes tweede zus Flora Sara Goudsmid was vernoemd naar hun oma van moederskant, oma Flora Slier-Blazer. Jeannes ouders waren dus vrij om Jeannes voornaam te kiezen.
Bijna alle Goudsmits werkten als slager of vleeshandelaar. Ook Jeannes vader. Hij begon als vleeshouwer. Toen hij trouwde met Jeannes moeder, was hij koopman van vlees. Daarna werd hij slager. Hij was ook een tijdje gerant van het Astoria Theater aan de Schiekade.
En in 1935 werkte vader Goudsmid als taxichauffeur. Het waren de crisisjaren. Aron Goudsmid pakte zo te zien alles aan om aan het werk te blijven.
Jeanne zit op de lagere school
Jeanne zat op een lagere school in Crooswijk. Dat was vlakbij, een kwartiertje lopen. In die tijd woonde het gezin Goudsmid aan de Vlietlaan. Dat was handig voor het werk van Jeannes vader, want de Vlietlaan lag vlakbij het grootste slachthuis van Nederland, aan de Boezemstraat.
Jeannes lagere school lag aan de Van der Werffstraat. In een krantenartikel uit 1933 staat dat de school “gezellig ouderwets” was (bron). Dat is te zien op de klassenfoto hieronder. Aan de muur hingen tekeningen van Rie Cramer. Achterin de klas stond in de hoek een kolenkachel. Aan het plafond hingen gaslampen. Als het donker werd in de klas, ging de juf op een bankje staan om de gaslampen aan te steken. De school had geen elektriciteit en geen centrale verwarming.
Jeanne zat op een meisjesschool. Het was een openbare school. De school stond goed bekend. Van heinde en verre kwamen de meisjes naar deze school. Een klasgenootje van Jeanne woonde zelfs in West, voorbij de Mathenesserbrug. Zij deed er meer dan drie kwartier over om naar school te lopen. Ook tussen de middag liepen de leerlingen een rondje.
Bij Jeanne op school wisten de meisjes niet van elkaar of zij Joods waren. Een klasgenootje van Jeanne wist maar van één meisje dat zij Joods was. Dat kwam doordat dat meisje, Eva Drucker, al ruim voor de oorlog emigreerde naar Amerika. Het maakte op school niets uit wat voor geloof of achtergrond je had. “Het speelde geen enkele rol”, vertelde de klasgenoot van Jeanne.
Jeanne krijgt een pleegzusje
Het gezin Goudsmid woonde sinds 1934 op de Bergselaan 326c. Zij huurden daar een bovenhuis: twee verdiepingen en een zolder. Ruimte genoeg, dus zij verhuurden een deel van hun woning (bron).
Lore was dertien jaar toen ze bij Jeanne kwam wonen. Drie jaar jonger dan Jeanne. Zou Lore aan Jeanne verteld hebben wat er met haar was gebeurd in Duitsland? Of werd erover gezwegen?
Vreemd genoeg weten we over Lore meer dan over Jeanne. In Lores dorp in Duitsland, Vlotho am Wesel, was tijdens Kristallnacht alles vernield wat Joods was. Ook het huis van Lore. Lore was daar niet bij, want ze zat op school. Maar haar buurmeisje Ursula had alles gehoord. Toen Lore ’s middags uit de trein stapte, ving haar buurmeisje Ursula haar op. Ze nam Lore mee naar haar eigen, veilige huis. Ursula vertelde wat er gebeurd was. Alles in Lores huis was gesloopt met bijlen en voorhamers. Lores moeder had geprobeerd om samen met Lores broertje Hans te ontsnappen. Ze vluchtten naar de rivier, maar werden onderweg mishandeld. Lores vader was gearresteerd en meegenomen naar een concentratiekamp. Waarom? Omdat zij Joods waren. En omdat Lores vader een rijke zakenman was. De nazi’s waren jaloers op hem (bron).
In oktober 1940 verhuisde het gezin Goudsmit naar de Lumeystraat 3b in Blijdorp. Lore verhuisde mee. Ze zou tot in augustus 1941 bij Jeanne in huis blijven wonen.
Het zou niet goed aflopen met Lore.
Jeanne moet naar het Joods Lyceum
We weten niet op welke middelbare school Jeanne zat. Waarschijnlijk was het een lyceum, een middelbare meisjesschool of een hbs.
Jeanne mocht deze school niet afmaken. Vlak voor haar eindexamenjaar begon, moest Jeanne van school af. Pas op 23 oktober kon ze op het Joods Lyceum beginnen aan haar eindexamenjaar.
Op het Joods Lyceum kwam Jeanne in klas 5 hbs-A. Een klas met vier meisjes en één jongen. Een van de meisjes was Marieke Grietje van der Veen. Zij was de jongere zus van Noekie van der Veen, die op de lagere school bij Jeanne in de klas had gezeten.
Jeannes vader verliest zijn bedrijf
Jeannes vader was eind jaren dertig opgeklommen tot groothandelaar in vleeswaren. In 1938 werd hij zelfs secretaris van de Nederlandse Grossiersbond voor de Vleeshandel (bron). De zaken gingen goed. Jeannes moeder Wilhelmina Goudsmid-Slier kon een advertentie plaatsen voor een schoonmaakster. Maar in 1941 veranderde alles. De nazi’s maakten het Joodse ondernemers steeds moeilijker. Ook Jeannes vader kreeg er last van.
Op 22 oktober 1940 besloten de Duitsers dat alle Joodse ondernemingen zich moesten melden. Op 12 maart 1941 kwam een volgende maatregel. De Duitsers mochten bij Joodse bedrijven een bewindvoerder aanstellen. De bewindvoerder van het bedrijf van Jeannes vader was een Duits bedrijf.
Op 5 december 1941 werd het bedrijf van Jeannes vader opgeheven (bron). Daar had de bewindvoerder voor gezorgd. Vanaf dat moment had het gezin Goudsmid geen inkomsten meer.
Jeannes zussen weggevoerd
In juli 1942 haalde Jeanne op het Joods Lyceum haar eindexamen hbs-A.
Een paar weken later kregen Jeannes zussen een brief. Martha en Flora werden opgeroepen om te werken in Duitsland. Zij moesten zich op 30 juli 1942 melden in Loods 24 op Rotterdam-Zuid. Diezelfde avond werden zij op de trein gezet naar doorgangskamp Westerbork. Zij kwamen niet terug.
Toch ging het leven door.
Jeanne en haar moeder opgepakt
Waarschijnlijk moest Jeannes vader ergens in 1942 naar een Joods werkkamp in Nederland. In Nederland waren in 1942 meer dan veertig Joodse werkkampen. Hierin zaten meer dan 5.000 Joodse mannen. Zij waren ‘werkloos gemaakt’: ze waren ontslagen omdat zij Joods waren. In de werkkampen moesten zij dwangarbeid verrichten.
In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 werden de Joodse werkkampen in Nederland omsingeld door Duitse politieagenten. De volgende ochtend bracht de Duitse politie de Joodse dwangarbeiders naar doorgangskamp Westerbork. Te voet, per vrachtauto of per trein.
Dezelfde nacht werden in heel Nederland hun gezinnen opgepakt. Ook Jeanne en haar moeder. Zij woonden nog in de Lumeystraat. Jeanne en haar moeder werden thuis opgehaald door drie Rotterdamse politiemannen en een Jodenjager. Lopend werden zij naar Loods 24 gebracht. Diezelfde nacht werden Jeanne en haar moeder Engelina op de trein naar Westerbork gezet. Op de trein zat ook Sera Sloves, een schoolgenootje van het Joods Lyceum. Zij was diezelfde nacht opgepakt, ook met haar moeder.
Hoe weten wij dit allemaal?
Waarom hielp de Rotterdamse politie met het wegvoeren van de Rotterdamse joden?
Jeanne ziet haar vader weer in Westerbork
Op 4 oktober 1942 kwamen Jeanne en haar moeder aan in kamp Westerbork. Het was daar een enorme chaos. Tienduizend mensen kwamen tussen 3 en 5 oktober aan in Westerbork: de Joodse dwangarbeiders uit de werkkampen en hun gezinnen uit de rest van Nederland.
Veel van deze gezinnen werden op 5 oktober op de trein gezet naar vernietigingskamp Auschwitz. Maar Jeanne en haar moeder niet. Omdat haar vader er nog niet was. Vader Aron Goudsmid kwam pas op 8 oktober aan in Westerbork (bron).
Jeannes vader gaf bij aankomst in Westerbork als correspondentieadres de naam Vrijenhoek op, aan de Stadhoudersweg 154a in Rotterdam. Ook Vrijenhoek was een slager.
Jeanne gedeporteerd naar Auschwitz
Op 16 oktober werden Jeanne en haar ouders op de trein gezet naar het oosten. Het was een passagierstrein. In de trein zaten 1710 Joden.
De trein reed drie dagen. Zo’n 60 kilometer voor Auschwitz stopte de trein op het station van Cosel. Daar werden alle mannen tot 50 jaar uit de trein gehaald. Zij moesten dwangarbeid verrichten. Jeannes vader was 53 jaar, dus hij mocht in de trein blijven.
Op 19 oktober 1942 kwam de trein aan in Auschwitz. Jeanne en haar ouders werden nog diezelfde dag vergast. Jeanne Lena Goudsmid werd 19 jaar.
Voor Jeanne is een struikelsteen gelegd voor haar ouderlijk huis aan de Lumeystraat 3b. Haar naam staat op Digitaal Joods Monument. Ook heeft Jeanne een steentje in het Nationaal Holocaust Monument in Amsterdam.
Zie de website Joodse werkkampen, een initiatief van Herinneringscentrum Kamp Westerbork.
Op Kamp Westerbork Digitale Collectie staat informatie over de geschiedenis van Westerbork met o.a. een interactieve plattegrond van het kamp.
Historicus Erik Schaap deed uitgebreid onderzoek naar de Zaandamse familie Eisendrath-Juchenheim, de tante en oom van Lore en Hans. Hij schreef er een boek over en zette het verhaal over Lore en Hans online. Hij vond ook foto’s van Lore.
Rob Snijders van Joods Erfgoed Rotterdam geeft een korte geschiedenis van het opvangkamp.
Zie de website Joodse werkkampen, een initiatief van Herinneringscentrum Kamp Westerbork.
Op Kamp Westerbork Digitale Collectie staat informatie over de geschiedenis van Westerbork met o.a. een interactieve plattegrond van het kamp.
Marleen van den Berg schreef het boek Joods Rotterdam, Vervolging, ontrechting, terugkeer en rechtsherstel (2025). In het boek belicht zij onder andere Carry Ulreich, een andere leerling van het Joods Lyceum.
Trix van Bennekom schreef de biografie Halte Hausdorff, Het leven van David Hausdorfff: Jood, huisarts en Rotterdammer (2024).
Over de rol van de Rotterdamse politie weten we veel dankzij Frank van Riet. Hij deed onderzoek naar de Rotterdamse politie tijdens de oorlog en schreef er een boek over: Handhaven onder de nieuwe orde. De politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog (2008). Het boek is online te lezen.
Reacties
Er zijn nog geen reacties.