Sera Sloves
1925 - 1943
Rotterdam, 20 mei 1925 – Sobibor, 28 mei 1943
Sera wordt geboren
Sera verhuist naar de Vrouw Jannestraat
Sera’s familie uit de Zandstraatbuurt
Sera zit op de Bergsingel-hbs
Sera ontvlucht het bombardement
Sera mag steeds minder
Sera’s vrienden op het Joods Lyceum
Sera stopt met school
Sera’s vader moet naar een werkkamp
Sera’s grote familie wordt gedeporteerd
Sera komt aan in Westerbork
Sera gedeporteerd naar Sobibor
Sera wordt geboren
Saartje Sloves was het tweede kind van Samuel Sloves en Engelina Fierlier. Zij was vernoemd naar haar oma van moederskant, Saartje de Bok. Thuis werd ze Seertje genoemd. Maar op het Joods Lyceum Rotterdam noemde Seertje zich Sera. Die naam zullen wij aanhouden.
Sera had een drie jaar oudere zus, Elizabeth Sloves. Elizabeth was vernoemd naar hun oma van vaderskant, Elisabeth Viool. Elizabeths roepnaam was Bep. Bep zou de oorlog overleven. Sera niet.
Bep was dol op haar zusje. Sera was “een heel lekker meisje”, vertelde Bep na de oorlog. “Heel pienter.” Bep vond het na de oorlog moeilijk om over haar zusje te praten. Wel heeft ze een keer gezegd dat Sera “een heel lief meisje” was, “heel knap”.
Sera verhuist naar de Vrouw Jannestraat
De huizen in de Vrouw Jannestraat waren eenvoudige woningen. Ze waren gebouwd voor arbeiders en kleine ondernemers. Het huis van Sera had twee kamers, een alkoof, een keuken en een tuintje. In het huis was gas en elektriciteit. Volgens Sera’s zus Bep lag het huis in “een nette buurt”.
Bep Sloves vertelde na de oorlog dat zij “zeer tevreden” terugkeek op haar jeugd, met “een vader en moeder die altijd voor je klaarstonden”. “Eenvoudig, maar heel prettig." Wel was het “in verhouding met nu een sobere jeugd”. “Je was al blij als er heel een fles gazeuse” ’s avonds gehaald werd.” Bep herinnerde zich dat zij voor haar vijftiende verjaardag een tweedehands fiets kreeg. Haar vader leerde haar daarop fietsen. “Dat was fantastisch.”
Sera’s familie uit de Zandstraatbuurt
De ouders van Sera en Bep kwamen beiden uit grote families. Sera’s vader Samuel Sloves kwam uit een gezin met tien kinderen. Sera’s moeder Engelina Fierlier kwam uit een gezin met veertien kinderen. In de jaren 1934-1936 woonde bijna alle Fierliers bij Sera om de hoek.
Ze kwamen vaak bij Sera thuis. “Iedereen was meestal bij ons”, vertelde Sera’s zus na de oorlog. Bep speelden vaak met haar nichtjes. Soms ging de familie met zijn allen een dagje naar het strand, naar Hoek van Holland of Scheveningen. “Dat was zo verrukkelijk. IJsje eten, met heel de familie, dat was buitengewoon,” vertelde Sera’s zus. Ook de diergaarde was een favoriet uitje. Op zondagavond kwamen familieleden kaarten. Ook met oud en nieuw kwam familie op bezoek. Dan werd de woonkamer ontruimd, zodat iedereen erin paste.
Die gezelligheid hadden Sera’s opa’s en oma’s, ooms en tantes meegenomen uit de Zandstraatbuurt. De Zandstraatbuurt was een volkswijk aan de Coolsingel, op de plaats waar nu het stadhuis en het oude postkantoor liggen. Het was een wirwar van straatjes en steegjes. Er waren cafés, nachtclubs, bordelen en theatertjes. Alleen al in de Zandstraat zaten vijftig kroegen, danshuizen en nachtwinkels. Maar er waren ook gewone winkels, zoals bakkerijen en slagerijen.
Sera’s opa Mozes Sloves was in de Zandstraat begonnen als borstelmaker. In 1920 was hij steenkolenhandelaar. Sera’s andere opa, Abraham Fierlier, was zijn hele leven fabrieksarbeider.
Binnen de familie werd goed voor elkaar gezorgd. Na het overlijden van oma Fierlier woonde opa Abraham Fierlier in bij zijn kinderen. Eerst bij de een, toen bij de ander. In 1936 woonde opa Abraham Fierlier een paar maanden bij Sera thuis in de Vrouw Jannestraat. Tot het niet meer ging en hij naar een verzorgingshuis moest. Opa Fierlier stierf in 1937. Sera was twaalf jaar.
Sera zit op de Bergsingel-hbs
We weten niet op welke lagere school Sera zat. Wel weten we dat Sera en Bep allebei goed konden leren. Bep vertelde na de oorlog dat de meester van de lagere school bij hen thuis was gekomen. Hij wilde dat zij naar een goede middelbare school zou gaan. Maar Bep wilde liever naar de huishoudschool, omdat haar vriendinnen daar ook al heen gingen. Sera wilde wel meer leren. Zij ging naar de hogereburgerschool, de hbs. Dat was een soort vwo.
Sera’s middelbare school was de Bergsingel-hbs. Het was een openbare school. In het schooljaar 1939-1940 zat Sera daar in klas 2a. Dat jaar deed ze niet altijd haar huiswerk, vooral niet voor Frans (bron). Het jaar erop zat Sera in klas 3a. Dat schooljaar had ze het soms aan de stok met haar docent Nederlands. Hij of zij noteerde over Sera: “onordelijk” (6 november 1940), “praten” (13 februari 1941) en “hinderlijk” (28 maart 1942). De docent boekhouden vond haar op 14 februari “onoplettend”.
Dit weten we dankzij het strafregister van de Bergsingel-hbs. Het strafregister is de enige leerlingenadministratie van deze school die bewaard is gebleven. In het strafregister staan alle leerlingen per klas per leerjaar. Elke leerling heeft een eigen pagina.
Van het schooljaar 1938-1939 is geen administratie bewaard gebleven. Maar omdat Sera in schooljaar 1939-1940 in klas 2a zat en in schooljaar 1940-1941 in klas 3a, is het logisch dat zij in schooljaar 1938-1939 in de eerste klas zat van de Bergsingel-hbs.
Bron: Stadsarchief Rotterdam, toegang 1175, inventarissen 3 en 4.
Sera ontvlucht het bombardement
Het bombardement van 14 mei 1940 kwam voor Sera heel dichtbij. De brand die volgde op het bombardement, kwam tot het huis van de buren. Sera’s zusje Bep vertelde na de oorlog hoe het gegaan was:
We wisten zo weinig wat een bombardement betekende, dat we (m’n vader, m’n moeder, m’n zusje en ik) het huis uit zijn gelopen en – dat is vlakbij – de Teilingerstraat in zijn gegaan waar alles brandde. We zijn in het midden gaan lopen en alles viel met stukken naar beneden. En ik heb de vliegmachines met de bommen naar beneden zien vallen. Ik heb Loos zien branden als één grote fakkel (…). En uiteindelijk – zo angstig waren we – zijn we weer terug naar huis gelopen onder het roet van de blakerende branden.
Elizabeth van der Ster, USC Shoah Ooggetuigenverslag – interviewcode 6729.
De brand in de Teilingerstraat waar Sera en Bep doorheen vluchtten, is ook beschreven door zuster Policarpa. Zij werkte als verpleegster in het Sint Franciscus Gasthuis aan de Schiekade. De zusters sliepen in barakken die aan de achterkant grensden aan de Teilingerstraat:
Men moet het meegemaakt hebben, wil men daarover kunnen spreken. Wat er gebeurde, was ontzettend. De avondhemel was overal als in vuur. Aan de achterzijde van onze barakken woedde een enorme brand in de Teylingerstraat.
Zuster Policarpa, via haar achternicht Caroline Guda.
Met toestemming overgenomen van de Facebook-groep Rotterdam in Oorlogstijd.
De brand kwam precies tot Sera's huis. Het pand van de buren, nummer 17, ging in vlammen op. Het pand van Sera, nummer 19, bleef gespaard.
’s Nachts ging het geloei van de vlammen door. Pas de volgende ochtend was het wat rustiger.
Sera mag steeds minder
In 1941 veranderde dat. Vanaf 7 januari 1941 mochten Joden niet meer naar de bioscoop. Op 10 januari 1941 moesten alle Joden zich laten registreren. Het maakte daarbij niet uit of je gelovig was of niet, of je naar de synagoge ging of niet, of je je Joods voelde of niet. Zelfs als je maar één Joodse grootouder had, moest je je opgeven. Sera had vier Joodse grootouders.
Voljoods’ is een Duitse term uit de Tweede Wereldoorlog. Het betekende dat je drie of vier Joodse grootouders had. Hitler en zijn helpers wilden alle ‘Volljuden’ doden.
Het gezin Sloves was “niet vroom”, maar wel “heel bewust Joods”, vertelde Sera’s zus na de oorlog. Anders gezegd: hun cultuur was Joods, maar ze waren niet zo religieus. Het gezin Sloves ging bijvoorbeeld niet naar sjoel, behalve op Joodse feestdagen. Ook waren Sera en Bep niet naar het Joodse godsdienstschooltje geweest. Wel zat Bep op een Joodse vereniging. Ook vierden ze de Joodse feestdagen. Bep Sloves vertelde na de oorlog hoe zij thuis Jom Kippoer vierden.
Had Bep zich voor de oorlog ooit gediscrimineerd gevoeld, omdat ze Joods was? “Nooit,” zei Bep na de oorlog, "Nooit."
De anti-Joodse maatregelen volgden elkaar snel op. Op 15 april 1941 moesten Joden hun radio inleveren. Op 31 mei mochten zij niet meer naar openbare zwembaden, parken en stranden. Op 1 september moesten Joodse kinderen naar aparte Joodse scholen. Vanaf 15 september mochten Joden niet meer naar dierentuinen, schouwburgen, theaters, concerten, musea en bibliotheken. Vanaf 22 oktober mochten Joden geen lid meer zijn van verenigingen en sportclubs met niet-Joodse leden. Vanaf 23 oktober mochten zij niet meer emigreren. Vanaf 7 november mochten Joden niet meer reizen of verhuizen zonder toestemming. Ook maakten de Duitsers het Joden steeds moelijker om te blijven werken.
Sera’s vrienden op het Joods Lyceum
In het schooljaar 1940-1941 was Sera vermoedelijk blijven zitten. Want op het Joods Lyceum kwam zij opnieuw in de derde klas. De klas van Carry Ulreich en Esther van Vriesland, de twee dagboekschrijfsters van het Joods Lyceum. Het meeste wat we weten over Sera, weten we uit het dagboek van Esther van Vriesland. Esther noteerde zelfs welk woordje Sera vaak gebruikte: ‘aardig’. Als in: "een aardig vaasje".
Sera zat in de klas naast Esther. Ze zouden beste vriendinnen worden, maar niet meteen. Esther moest erg wennen aan de vrijere cultuur in Rotterdam. Ze schreef in haar dagboek:
“Dinsdag weer naar school. Omgaan met andere meisjes, die je niet begrijpen, ouwelijker zijn. Bij ons in Gorkum op de H.B.S. gingen de jongens en meisjes vriendschappelijk met elkaar om. Maar in Rotterdam? Allemaal flirten! Meedoen, oh dagboek, ik kan het niet!”
Esther van Vriesland, Esther, een dagboek 1942 (p.63), 23 februari 1942.
Sera en haar klasgenootje Leny van Zwanenbergh praatten vaak over jongens. Esther vond Sera en Leny “jongensgekken”. Maar vooral miste Esther haar eigen vriendinnen uit Gorinchem:
Ik wed dat als Aty er bij was, het veel leuker zou zijn. Ik heb me zo van Sera en Leny terug. Ik vind ze zo ouwelijk en verwaand. (…) Op school vind ik het niks prettig. Ik kan niet goed met Sera en Leny opschieten. Ze zijn zo anders als mijn eigen vriendinnen!
Esther van Vriesland, Esther, een dagboek 1942 (p.63), 23 februari 1942.
Maar op 15 april 1942 schreef Esther:
Met Sera kan ik nu goed opschieten en vind ik haar nu aardiger dan Leny. Wat ben ik wispelturig he?
Esther van Vriesland, Esther, een dagboek 1942 (p.105), 15 april 1942.
Esther moest ook wennen aan de eenvoudigere afkomst van Sera. Aan het begin van haar dagboek schreef Esther dat ze het bij Sera thuis “rommelig en ongezellig” vond. Later vond ze het er juist gezellig: “Vandaag naar Sera geweest en was het erg gezellig”, schreef Esther op 24 mei 1942 – ze was bij Sera thuis geweest voor Sera’s verjaardagsfeestje. En op 9 juli 1942: “Ik ben een dagje naar Sera geweest en was het heel gezellig."
Dankzij Esthers dagboek en goed speurwerk. Op 1 april 1942 schreef Esther in haar dagboek dat zij naast Carry Ulreich was gaan zitten toen Sera niet op school was (p.96). Esthers vaste plaats in de klas was dus naast Sera. Het was alleen niet bekend wie ‘Sera’ was. Esther noemt in haar dagboek alleen Sera’s voornaam, geen achternaam. Wie was 'Sera'? In Rotterdam woonde geen enkel Joods meisje met de voornaam Sera. ‘Sera’ moest dus een roepnaam zijn. Maar van wie?
Gelukkig noemde Esther in haar dagboek de verjaardag van Sera: 20 mei. Om Sera te vinden, moesten we dus op zoek naar een Joods meisje uit Rotterdam dat geboren was op 20 mei 1924, 1925 of 1926. En daar was er maar één van: Saartje Sloves. Was Saartje Sera? Saartjes zus Bep overleefde de oorlog. Zij sprak na de oorlog niet veel over haar zusje. Ze vertelde alleen dat haar zusje thuis ‘Seertje’ werd genoemd. ‘Seertje’ is al bijna ‘Sera’. Bep had ook een foto van haar zusje. De Seertje Sloves op de foto van Bep lijkt sprekend op het meisje op de klassenfoto.
En dus moet het voorhoofd van Esther zijn. Want Esther zat op school naast Sera. Esthers voorhoofd is ook wel te herkennen van andere foto’s van Esther. Bovendien is uit het dagboek van Esther op te maken dat Esther midden in de klas zat (net zoals Esther op de foto) en dat Sera in de klas tussen Esther en de deur zat (net zoals Esther op de foto). Want toen Esthers broer Simon van Vriesland eens de klas in kwam omdat hij zijn etui was vergeten, gaf Esther het etui aan Sera, en Sera gaf het door aan Simon.
Esther en Sera werden goede vriendinnen. Ze hadden veel lol samen. In de klas kregen ze soms de slappe lach. Esther schreef in haar dagboek:
Onder Engels kreeg ik een beurt met lezen. Middenin zei Sera ineens: ‘Pucky’ en schoot ik ineens in de lach. Dat komt zo: Sera, Sonja en ik hebben een ijsco op, een Puck en we hebben toen vreselijke lol gehad. Sera had het stokje ervan bewaard en toen ze iets uit haar kastje wilde halen, voelde ze dat ding weer en daarom zei ze het hardop. Sera en ik zaten vijf minuten te brullen. Heel de klas keek naar ons en wij zaten met vuurrode gezichten te gieren. De bank trilde mee. En ik was aan het lezen en ik kon niet verder! Eindelijk was ik tot bedaren en moest het toen voor de klas vertalen, waar ik niks van terecht bracht. Gelukkig mocht ik gaan zitten.
Esther van Vriesland, Esther; een dagboek 1942 (p.92), 26 maart 1942.
We hebben eergisteren zo gelachen, ook onder Van Praag. Simon van Buren had een gedicht: ‘ik ben van de buiten’. We lagen slap van het lachen. Hij deed het zo idioot. Overal de klemtoon waar het niet moest zijn. Zo: ‘ik bén van de buiten, ik bén van den bóer’, zo vlug en allemaal in datzelfde ritme, dat zelfs Van Praag te schudden zat. Sera zat hardop te snikken. Toen ik Van Praag zag lachen, liet ik me voorover op de bank vallen en heb daar liggen schokken!
Esther van Vriesland, Esther; een dagboek 1942 (p.110), 30 april 1942.
Sera en Esther schreven elkaar brieven. Ze wisselden boekentips uit. Sera hielp Esther met een opstel over een schilderij. Ze vonden op school ‘geheime ruimtes’, de “hokjes” op de begane grond. Ze raakten bevriend met hun klasgenoot Joop Olman. Sera plaagde Esther met Coen Gans. In de tussenuren en pauzes maakten Sera en Esther lange wandelingen, soms ook met Sonja de Jongh. Toen ze een keer te laat terug waren, kregen Sera en Esther samen straf. Ook kregen ze een keer straf omdat ze in een leeg lokaal hadden gezeten, met Joop Olman erbij. Ze mochten een week niet op school lunchen. Daarom lunchten ze buiten, ‘kamperen’ noemden ze dat. Misschien liepen Sera en Esther daarbij op blote voeten, want ze kwamen terug met vuile voeten en sokken.
Op het Joods Lyceum ging Sera waarschijnlijk ook om met jongens die zij kende van de Bergsingel-hbs: Frits Levison, Neddy Menassen en Harry Drielsma. Vooral Frits Levison zal Sera goed hebben gekend. Op de Bergsingel-hbs zaten Sera en Frits bij elkaar in de klas. Verder had Sera vrienden op de Joodse mulo. Een van hen was Martha Johanna Magnus, die vlak bij Sera woonde.
In april 1942 richtte Sera samen met vrienden een club op. Ze wilden elke zondag afspreken. “Ze gaan dan natuurlijk dansen,” schreef Esther in haar dagboek. Esther schreef niet wie er in Sera’s club zaten, maar er zaten ook studenten bij. En misschien ook Martha Magnus en Frits Levison?
Op zondag 21 juni kwam de club bij Sera thuis. Er werd inderdaad gedanst. Op 22 juni schreef Sera aan Esther dat ze een lange brief zou schrijven met een verslag van die zondag. Helaas is de brief van Sera niet bewaard gebleven.
Sera stopt met school
Op het Joods Lyceum zat Sera met vijf meisjes in de klas. Al deze meisjes gingen aan het eind van het schooljaar over naar de volgende klas (bron).
Ook Sera was dus over. De promotie naar de volgende klas was op 14 juli. Maar op 18 of 19 juli schreef Sera aan Esther dat ze na de zomer zou stoppen met school:
Van Sera kreeg ik een brief. Ze schreef, dat ze na de vakantie waarschijnlijk niet meer op school komt. Ze komt in een ziekenhuis, als aspirant-leerling-verpleegster. Dan heeft ze minder kans dat ze opgepikt wordt. In Den Haag zijn ze ook al bezig.
Esther van Vriesland, Esther; een dagboek 1942 (p.152), 19 juli 1942.
Waarom zou een intelligent meisje plotseling stoppen met school om te gaan werken? Omdat sommige beroepen bescherming boden tegen deportatie. Begin juli 1942 werd bekend dat alle Joden tussen de zestien en veertig jaar een oproep zouden krijgen om te gaan werken in Duitsland.
Sera was op 20 mei zeventien geworden. Zij liep dus direct gevaar. Een paar beroepen waren voorlopig uitgesteld van deportatie. Onder andere mensen die op Joodse scholen of in Joodse ziekenhuizen werkten. Het was dus heel verstandig van Sera om te stoppen met school en leerling-verpleegster te worden.
Bovendien was het Sera’s droom om verpleegster te worden. Al eind mei 1942 had Sera tegen Esther gezegd: “Een paar jaar H.B.S. en dan leerling-verpleegster.” Misschien was Sera geïnspireerd door het boek Kinderzaal van Anke Servaes. Ze vond dat erg mooi (bron).
Een week later schreef Esther in haar dagboek:
Net kreeg ik een brief van Sera. Ze schreef zo leuk. Martha en zij werken er allebei en beleven zulke leuke dingen. Ze zijn op de vrouwenzaal en brengen brood aan de patiënten. Ze moeten samen kamers schoonmaken.
Esther van Vriesland, Esther; een dagboek 1942 (p.155), 27 juli 1942.
Sera’s vader moet naar een werkkamp
Op de huwelijksdag liep Bep samen met Sera en haar ouders naar het Stadhuis in Amsterdam. Bep droeg op haar witte bruidsjurk de gele ster. Ies droeg de gele ster op zijn pak.
Bep herinnerde zich later de “geweldige speech” van de man die hen trouwde. Een week later, op 9 augustus, was de choepah in de sjoel in de Rapenburgstraat in Amsterdam. Bep ging met Ies in Amsterdam wonen.
Sera’s zus was niet enige Sloves-Fierlier die trouwde in de zomer van 1942. Vier nichten en twee neven van Sera huwden voordat zij op transport moesten. Twee van deze bruiloften vonden plaats in doorgangskamp Westerbork.
Kort na het huwelijk van Bep kreeg Sera’s vader een oproep voor een werkkamp. In 1942 waren er in Nederland meer dan veertig Joodse werkkampen. Hierin zaten ruim 5.200 Joodse mannen. Zij waren werkloos gemaakt: ze waren ontslagen omdat zij Joods waren. In de werkkampen moesten zij dwangarbeid verrichten. Bep vertelde na de oorlog:
Van onderduik wisten we niets, dus toen is mijn vader met veel tranen weggegaan naar een werkkamp – waar wisten we niet.
Elizabeth van der Ster, USC Shoah Ooggetuigenverslag - interviewcode 6729.
Sera schreef aan Esther wat er was gebeurd. De brief is niet bewaard gebleven. Maar op 31 augustus schreef Esther in haar dagboek:
Van Sera kreeg ik een brief. Haar vader is in het werkkamp. Zij is nog in het ziekenhuis. Ze heeft het pas nog met een zuster aan de stok gehad.
Esther van Vriesland, Esther; een dagboek 1942 (p.170), 31 augustus 1942.
Sera’s grote familie wordt gedeporteerd
Wat gebeurde er die zomer nog meer met Sera? Ze verloor het grootste deel van haar familie. Zowel haar familie van vaderskant (de familie Sloves) als haar familie van moederskant (de familie Fierlier) werden weggevoerd. De familie Fierlier bestond begin 1942 uit 57 personen, inclusief aangetrouwde ooms en tantes. In 1942 werden 44 van hen weggevoerd. Met de familie Sloves gebeurde hetzelfde. De paniek zal groot zijn geweest.
In oktober 1942 werd ook Sera thuis ‘gehaald’. Zo werd dat genoemd, 'gehaald':
Een aardig rossig vriendinnetje van onze kinderen, zo’n vrolijke meid, bleef ook weg. ‘s Nachts met haar hele familie uit hun huis gehaald; gehaald, gehaald, gehaald!
Louis Wijler, Herinneringen uit mijn leven, geschreven in Israël in 1975. Ghetto Fighters House Archives, catalogusnummer 299, registratienummer 11841, p.120, volgnummer 143.
Sera komt aan in Westerbork
Sera’s vader Samuel Sloves zat sinds half augustus 1942 in een Joods werkkamp in Nederland. Tot iemand in Duitsland het bevel gaf dat de Joodse werkkampen ontruimd moesten worden. De mannen in de kampen moesten op transport naar Duitsland. Hun gezin moest mee.
In de nacht van 2 op 3 oktober 1942, de laatste dag van het Joodse Loofhuttenfeest, werden de Joodse werkkampen in Nederland omsingeld door Duitse politieagenten. De volgende ochtend bracht de Duitse politie de Joodse dwangarbeiders naar doorgangskamp Westerbork. Te voet, per vrachtauto of per trein.
Dezelfde nacht werden in heel Nederland hun gezinnen opgepakt. Ook Sera en haar moeder. Zij woonden nog in de Vrouw Jannestraat. Sera en haar moeder werden thuis opgehaald door drie Rotterdamse politiemannen en een Jodenjager. De politieagenten verzegelden het huis van de Sloves aan de Vrouw Jannestraat. De sleutel gaven zij af aan de Sicherheitsdienst. Sera en haar moeder werden lopend naar Loods 24 gebracht.
Diezelfde nacht werden Sera en haar moeder Engelina op de trein naar Westerbork gezet. Op de trein zat ook Jeanne Goudsmid, een schoolgenootje van het Joods Lyceum. Ook Jeanne werd samen met haar moeder gedeporteerd.
Er is na de oorlog veel onderzoek gedaan naar de Jodenvervolging. De Joodsche Raad hield goed bij wanneer mensen aankwamen in Westerbork. De Duitsers hielden bij wanneer iemand werd gedeporteerd. Ook zijn er ooggetuigenverslagen en naoorlogse verhoren. Over de rol van de Rotterdamse politie weten we veel dankzij de Rotterdamse politieman Frank van Riet. Hij deed onderzoek naar de Rotterdamse politie tijdens de oorlog. Hij schreef er een boek over: Handhaven onder de nieuwe orde. De politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog (2008). Paragraaf 9.1 van dit boek gaat over het thuis ophalen van Joden door de Rotterdamse politie.
De Rotterdamse politie-inspecteurs deden wat de Duitse politie hen opdroeg. De Duitse politie had hen verteld dat het juist fijn was voor de Joden dat zij opgepakt werden, omdat de Joodse gezinnen dan weer herenigd zouden worden (‘gezinshereniging’). Sommige Rotterdamse politie-inspecteurs kwamen huilend terug op het bureau. Toch bleven ze Joden oppakken. Ze dachten dat het hun plicht was om in functie te blijven en er het beste van te maken. Slechts twee inspecteurs weigerden om mee te werken aan het ophalen van de joden.
Bron: Frank van Riet, Handhaven onder de nieuwe orde. De politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog (2008), p. 379-387.
Op 4 oktober 1942 kwamen Sera en haar moeder aan in kamp Westerbork. Het was daar een enorme chaos. Tienduizend mensen kwamen tussen 3 en 5 oktober aan in Westerbork: de Joodse dwangarbeiders uit de werkkampen en hun gezinnen uit de rest van Nederland. Veel van hen werden op 5 oktober op de trein gezet naar vernietigingskamp Auschwitz.
Sera en haar ouders mochten lang in Westerbork blijven. Zij zaten in barak 64. Dat was een woonbarak die afgescheiden ruimtes had, een soort ‘huisjes’. Dat had Ies voor hen geregeld, de man van Sera’s zus Bep. Ies werkte in Amsterdam voor de Joodsche Raad. Daarom hoefde hij voorlopig niet op transport: hij had een Sperre, een stempel in zijn persoonsbewijs. Omdat Ies bij de Joodsche Raad werkte, kon hij een paar keer Westerbork bezoeken. Hij nam extra eten mee voor Sera en haar ouders.
Meer dan 40 transporten gingen aan Sera en haar ouders voorbij. Op veel van die transporten zaten familieleden, vrienden en schoolgenootjes uit Rotterdam. Tot ook Sera naar het oosten moest.
Sera gedeporteerd naar Sobibor
Op 25 mei 1943, vijf dagen na haar achttiende verjaardag, moest Sera vanuit Westerbork op transport naar Sobibor. Het was een veewagen. In de trein zaten 2862 Joden. Ook Sera’s ouders.
De treinreis duurde drie dagen. Bij aankomst in Sobibor werden alle inzittenden meteen om het leven gebracht. Sera stierf op 28 mei 1943, achttien jaar oud.
Sera’s zus Bep kwam terecht in concentratiekamp Bergen-Belsen. Toen het Engelse bevrijdingsleger dat concentratiekamp naderde, werd Bep met 2.500 andere Joodse gevangenen op een trein gezet. Ook Sera’s schoolgenootje Hans Cats zat op die trein. De trein reed meer dan een week rond en werd toen bevrijd bij het plaatsje Farsleben.
Pas lang na de oorlog kwam Bep erachter dat Sera en haar ouders samen op transport waren gegaan. Dat ze met zijn drieën waren geweest. Dat bood haar troost.
Van de vooroorlogse familie Fierlier overleefden slechts zeven mensen de Holocaust. Van de vooroorlogse familie Sloves overleefden slechts drie mensen de Holocaust.
Sera Sloves heeft geen struikelsteen. Haar naam staat nergens op een plaquette. Wel staat haar naam op Digitaal Joods Monument. Ook heeft Sera een steentje in het Nationaal Holocaust Monument in Amsterdam. En nu heeft ze dit verhaal.
Het boek Groeten van Leo is speciaal voor jonge kinderen. Leo Meijer is een jongen van zeven jaar uit Dordrecht. Hij is anders dan zijn buurmeisje, omdat hjij Joods is. Leo woont twee jaar in kamp Westerbork. Dit is het verhaal over zijn leven, met foto’s en zijn eigen tekeningen en briefjes.
Het dagboek van Esther van Vriesland, Esther, een dagboek 1942, geeft een goed beeld van dat schooljaar op het Joods Lyceum. Esther schrijft vaak over Sera.
Op Kamp Westerbork Digitale Collectie staat informatie over de geschiedenis van Westerbork met o.a. een interactieve plattegrond van het kamp. Er is ook een pagina over barak 64, waar Sera een tijd zat.
Het dagboek van Esther van Vriesland, Esther, een dagboek 1942, geeft een goed beeld van dat schooljaar op het Joods Lyceum. Esther schrijft vaak over Sera.
Zie de website Joodse werkkampen, een initiatief van Herinneringscentrum Kamp Westerbork.
Op Kamp Westerbork Digitale Collectie staat informatie over de geschiedenis van Westerbork met o.a. een interactieve plattegrond van het kamp. Er is ook een pagina over barak 64, waar Sera een tijd zat. Op de website Coenraad Rood staat een hartverscheurend getuigenverslag over wat Coenraad Rood zag vanuit de ramen van barak 64.
Marleen van den Berg schreef het boek Joods Rotterdam, Vervolging, ontrechting, terugkeer en rechtsherstel (2025). In het boek belicht zij onder andere Carry Ulreich, een klasgenootje van Sera op het Joods Lyceum. Trix van Bennekom schreef de biografie Halte Hausdorff, Het leven van Daviud Hausdorfff: Jood, huisarts en Rotterdammer (2024).
Het boek van Rie Brusse over de Zandstraatbuurt is te lezen in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL). Op de website van Joods Erfgoed Rotterdam staat per straat van de Zandstraatbuurt welke Joodse mensen daar woonden.
Rob Snijders van Joods Erfgoed Rotterdam deed onderzoek naar de Rotterdamse Israëlietische Amusanten Club OK ’35.
Het dagboek van Esther van Vriesland, Esther, een dagboek 1942, geeft een goed beeld van dat schooljaar op het Joods Lyceum. Esther schrijft vaak over Sera.
Over de rol van de Rotterdamse politie weten we veel dankzij Frank van Riet. Hij deed onderzoek naar de Rotterdamse politie tijdens de oorlog en schreef er een boek over: Handhaven onder de nieuwe orde. De politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog (2008). Het boek is online te lezen.
Reacties
Er zijn nog geen reacties.