Mierenschool

Door Ab van Dam

"Ik ben een jong miertje. Voorheen genoot ik openbaar onderwijs op een mieren-H.B.S. Op zekere dag gebeurde het, dat een leger 'rode' mieren ons land van de 'bruine' mieren binnenviel. Het land werd bezet en al spoedig volgden maatregelen tegen een groep van de bevolking, de 'zwarte' mieren, waartoe ook ik behoor."

Foto Ab van Dam - uitsnede klassenfoto smal
Een van de leerlingen van het Joods Lyceum, Ab van Dam, schreef voor school een opstel over een 'Zwarte-Mieren-Lyceum'. De titel was: Mierenschool. Abs opstel begint met de eerste dag op het Joods Lyceum. Daarna neemt Ab de lezer mee de klas in. Abs neef Dick Houwaart bracht Abs schoolschrift onder in het Joods Museum in Amsterdam (bron). Abs opstel staat hieronder zonder toelichting.

Mierenschool.

 

Ik ben een jong miertje. Voorheen genoot ik openbaar onderwijs op een mieren-H.B.S. 

 

Op zekere dag gebeurde het, dat een leger ‘rode’ mieren ons land van de ‘bruine’ mieren binnenviel. Het land werd bezet en al spoedig volgden maatregelen tegen een groep van de bevolking, de ‘zwarte’ mieren, waartoe ook ik behoor. Eén van deze maatregelen was, dat wij op een apart ‘Zwarte-Mieren-Lyceum’ ondergebracht zouden worden.

 

Het gevolg hiervan was, dat ik op een naargeestige morgen een biljet ontving, dat mij gebood mij aan te melden voor een nieuwe school aan de Torrendwarsstraat. Dus begaf ik mij op de aangewezen dag naar de mij nog onbekende school.

 

Ik werd ontvangen door een bruine mier en in een gang gelaten, waar talloze ‘zwarte’ mieren en miertjes druk gebarend dooreenkrioelden. Ik voelde mij wat sceptisch gestemd (waartoe ook de inrichting en de ligging van de school bijdroegen) maar sloot mij weldra aan bij een groepje jongelui van mijn eigen leeftijd. Na enige tijd werd ik in een kamertje gelaten, waar een leeraarmier zat, die zich voorstelde als den heer Rusjar.

 

Toen enkele formaliteiten vervuld waren, werd mij medegedeeld, dat Donderdag daaropvolgende de school om 2.30 precies geopend zou worden. Na twee maanden niets doen begon dan eindelijk weer ‘school’.

 

Toen wij op die Donderdag-middag in de gang verzameld waren en we naar de speech van den voorlopigen rector, een klein grijs miertje met een bolhoedje op, luisterden, waren we allen blij aan het werk te kunnen gaan. En we gingen aan het werk, want, niet zodra was de eerste dag aan de gang of er werd van beide kanten, leraren en leerlingen, hard aangepakt om de verloren tijd in te halen en opmerkelijk genoeg kwam het daarbij tot heel weinig botsingen. Toch werd er ook wel aan afleiding en plezier, in zoverre dat mogelijk was, gedacht. 

 

De eerste indrukken, die doorgaans meestal de beste zijn, waren goed. Bij de leerlingen heerste over het algemeen een goede, gezellige sfeer, die al spoedig tot de vorming van vriendschappen leidde. Ook de verhouding tussen leraren en leerlingen was uitstekend.

 

Na korte tijd kwam de benoeming van den rector, een klein, dik, trippelend miertje dat nu ging heersen over de leerlingen en leiding ging geven aan de leraar-mieren. De rector, Bierdal genaamd, gaf al direct de indruk uitstekend voor zijn taak berekend te zijn. Talrijke maatregelen werden getroffen onder de aanhef van: “Jongelui” en eindigend met: “Begrepen”. 

 

De beste indruk, die ik van de school kan geven is den lezer met mij mee te nemen en hem een schooldag te laten medemaken. Na een ouderwets bellengelui wordt er een deur geopend, krakend van ouderdom, en het jonge mierenvolkje stroomt binnen. Ze gaan naar hun klassen en ik ben zo vrij den lezer mede te nemen naar mijn eigen klas, waar hij op de achterste bank het dagelijks schoolgebeuren kan volgen.

 

Na een tweede bel trad er een kleine leraar-mier binnen, meneer Keulenaar, die ons onderricht zal geven in de beroemde historiën van onze mieren-wereld. Hij gaat ‘staan-zitten’ op de vensterbank en roept dan een leerlinge voor de klas. Na het overhoren van de les, geeft hij een dictee, waarbij hij telkens vergeet, waar hij gebleven is.

 

Als de les afgelopen is, komt de ons reeds bekende Rusjar binnen. Iemand, dien [wij] in het begin allen onsympathiek vonden, maar die later één van onze gezelligste leraren bleek te zijn. Voor een grapje is hij altijd te vinden. Tot nog toe vond u het wel gezellig, niet waar, lezer?

 

Maar nu de pauze ten einde is en we naar het lokaal teruggaan om Algebra-les te krijgen, vinden we daar reeds een lange, aardig-uitziende mier, die onder zijn kin een boord heeft in overeenstemming met zijn lengte. Zo aardig als hij is, zo saai zijn zijn lessen en het is ons een ware verfrissing, wanneer voor het laatste uur van deze ochtend een zwart-gekrulde mier, van Graap is zijn naam, de klas binnensnelt. Ongeduldig tikt hij op tafel en bromt op ons, omdat het lokaal weer zo vuil is. Onder zijn les is altijd de gehele klas vol aandacht, want hij geniet de vriendschap van zijn leerlingen. Hoort U ook lezer, hoe hij bij zijn dictaat telkenmale ‘eh’… zegt en ziet U hoe hij zijn vingers onophoudelijk ineenstrengelt?

 

Om kwart over twaalf gaat de bel en begeeft zich één deel naar huis, en het andere deel blijft over. Door één van de maatregelen van den rector moeten de overblijvers in de 4e klas eten en in de 2e klas onder leiding van den administrateur, mier Van Duin, wiens hoofd aan beide kanten door een plukje haar versierd wordt, leren. Ook bewaking is er.

 

Een lange, magere, klassieke mier, gewapend met een “stokske”, snelt met grote passen door de gangen, al roepend: “Verdomme, wat mot hij hier, ei?”, maar [is] ondanks al zijn branie bij alle mieren van de school zeer gezien. Om twee uur wordt de school opnieuw geopend en treden wij een andermaal binnen.

 

Het eerste uur brengt ons een zwaar-bebrilde, licht-behaarde mier, die ons de omgeving van ons mierenland leert kennen. Zijn scherpe medeklinkers fluiten door de klas. Als geroyeerd lid van de geheelonthouders-bond, vertelt hij ons smakelijk, hoe hij van zijn borreltje geniet.

 

Na de aardrijkskunde krijgen we een lerares-mier, juffrouw Evenaar, met een vrolijke wipneus (uitzondering op mijn school). Als je binnenkomt lacht ze en als ze weggaat lacht ze nog. Strafwerk geven doet ze zelden of nooit en wanneer het eens voorkomt wordt het nog afgekocht met bloemen.

 

Na een korte pauze van vijf minuten geeft een kleine, grijs behaarde mier, zich F.F. Ark noemende, ons les in de taal van de ‘rode’ mieren. Hij heeft een buitengewone voorkeur voor het overhoren van ‘weurdjes’. 

 

Als laatste uur voor deze dag hebben we Natuurkunde, onderwezen door een mier, wiens neus het typische kenmerk van mijn hele school is. Zijn lessen zijn kort, want vijf minuten voor het einde van de les is hij gewoon uit te scheiden.

 

Hiermede lezer, is dan de schooldag ten einde.

 

Heeft u zich een goede of u zich een slechte opinie gevormd? Dat zult u voor uzelf moeten uitmaken, maar mijn mening is, dat deze school een succes geworden is en tóch hoop ik, dat haar bestaan kort mag zijn.

Ab van Dam

 

 

Collectie Joods Museum Amsterdam, objectnummer D013135.

Reactie?

* Deze velden zijn verplicht

Reacties

Er zijn nog geen reacties.