De Zandstraatbuurt

De Zandstraatbuurt was een volkswijk aan de Coolsingel, op de plaats waar nu het stadhuis en het oude postkantoor liggen. Het was een wirwar van straatjes en steegjes. Er waren cafés, nachtclubs, bordelen en theatertjes. Alleen al in de Zandstraat zaten vijftig kroegen, danshuizen en nachtwinkels. Maar er waren ook gewone winkels, zoals bakkerijen en slagerijen. Tijdens Koninginnedag en andere Oranje-feesten was de hele buurt versierd.

De Zandstraat in 1909. De beide opa’s van Sera Sloves woonden een tijdje in deze straat, en ook de grootouders van sommige andere leerlingen van het Joods Lyceum. Toen zij geboren werden, was de Zandstraatbuurt al afgebroken. De fotograaf kijkt hier in de richting van de Raamstraat.
Stadsarchief Rotterdam, toegang 4113 Collectie Henri Berssenbrugge, 1900-1940, nummer IX- 3502-01-01-2.

De Zandstraatbuurt stond niet goed bekend. De mensen waren arm en de huizen waren slecht en klein. Vaak hadden huizen maar één kamer waarin het hele gezin woonde. Eigenlijk was het een krottenwijk. Ook was er veel misdaad. Maar ’s nachts kwam de wijk tot leven. De lichtjes gingen aan, de publieke vrouwen trokken glanzende kleren aan en het nachtleven begon. In de nachtclubs, danstenten en bordelen werd opgetreden door artiesten en muzikanten uit binnen- en buitenland.

 

Al generaties lang woonden er Joden in de Zandstraatbuurt. Zij waren over het algemeen nette, vriendelijke mensen. Een tijdgenoot beschreef de Joden uit de Zandstraatbuurt zo:

Naarstig, hulpvaardig, erg beste buurtjes, altijd vriendelijk, beleefd en volgeintjes, – maar van datte? – nee, niks hoor: – dat benne Jodenmenschen! (…) Jodemenschen” beteekent hier zooveel als fatsoenlijk, buiten ‘t lichte leven en de rooverij.

Rie Brusse, Het rosse leven en sterven in de Zandstraatbuurt (1917).

Op zondag waren de Joodse winkeltjes in de Zandstraatbuurt open. Alle andere winkels in de stad waren 's zondags dicht. Op zondag konden de Joodse winkeliers en straatverkopers dus wat extra’s verdienen:

Nu, en zij vieren natuurlijk den Zondag niet in Zondagsche kleeren met de armen over elkaar. Integendeel, ze profiteeren ervan, dat de Polder dan wel ’n extratje lust. Ze hebben ’t nu druk in hun snoepzaken, houden hun winkeltjes open, venten er met allerlei lekkernijen, met fruit, met ijs, wafelenoblieëndrupskussentjes en weet ik al, ijverig rond door de buurt, – met cent-’n-bom, lever en nieuwe haringen tegen de katterigheid; en molentjes, toeters, serpentines en duikelaars. voor de kinderen die met gebrande krulletjes en ’n strik in haar Belzelok op de stoepetjes zitten...

Rie Brusse, Het rosse leven en sterven in de Zandstraatbuurt (1917).

De Zandstraatbuurt is vanaf 1912 afgebroken om ruimte te maken voor het stadhuis, het postkantoor en het beursgebouw (nu World Trade Center). Het nachtleven verdween naar andere plekken in de stad. Ook de Joodse inwoners van de Zandstraatbuurt moesten een nieuwe buurt vinden. Na “de knussigheid en dat drukke vertier” van de Zandstraatbuurt was het moeilijk wennen in “die eenzelvig stille, nieuwe wijken”, schreef Rie Brusse. Misschien daarom dat sommige Joodse families altijd dicht bij elkaar bleven wonen.